Turkish Red & more

Toen Errol van de Werdt, de nieuwe directeur van het Textielmuseum, mij een paar weken geleden vroeg om vandaag hier de nieuwe tentoonstelling te openen, heb ik me uiteraard afgevraagd waarom hij mij daarvoor vroeg.Toch niet omdat mijn handtekening onder de subsidiebeschikking staat die deze tentoonstelling mede mogelijk heeft gemaakt? Het zou toch niet veronderstellen dat ik vanwege die handtekening een boeiend licht op deze tentoonstelling zou kunnen laten schijnen? Dat zou dan toch een misverstand zijn. Over de toekenning van subsidies beslissen – beslisten moet ik inmiddels zeggen – commissies van deskundigen. Mijn handtekening is niet meer dan de administratieve bevestiging daarvan.

Of zou hij me gevraagd hebben omdat hij weet dat ik hier graag kom? Misschien. Ik kom hier inderdaad graag. Ik werk nu tweeënhalf jaar in Tilburg, maar al jarenlang kom ik, met mijn vrouw, een dag per jaar naar Tilburg, gaan we ’s ochtends naar het Textielmuseum en ’s middags naar De Pont. En wanneer ik hier persoonlijke contacten ontvang, neem ik ze graag mee hier naar toe.

Maar ik denk dat Errols verzoek een nog wat specifiekere achtergrond had. Ik denk dat hij vermoedde dat wij bepaalde ambities delen, dat hij vermoedde dat hij en ik soms met eenzelfde soort verbazing naar Brabant en naar Tilburg kijken. Toen we elkaar een tijdje geleden spraken stelden we vast dat we een vergelijkbare achtergrond hebben. We zijn allebei geen Brabanders. We komen allebei, zoals ik dat dan altijd zeg, ‘nergens’ vandaan. We wonen niet in Brabant. Onze grootouders waren middenstanders. Misschien levert dat distantie op. Misschien maakt het dat we altijd een open oog voor ‘handel’ hebben.

Misschien weet u dat ik namens het bkkc met een aantal andere provinciale culturele instellingen bezig ben een nieuw tijdschrift over cultuur in Brabant van de grond te tillen. In de aanloop naar dat nieuwe tijdschrift hebben we gesprekken gevoerd om te kijken of dat nieuwe tijdschrift ook gerealiseerd kon worden als doorstart van Brabant Cultureel dat per 1 januari 2013 zijn provinciale subsidie zou verliezen. Dat is niet gelukt. Brabant Cultureel verdwijnt, en in mei komt er een heel nieuw tijdschrift. In de discussie, die voor een deel in de media werd gevoerd, kreeg ik het verwijt dat ik een tijdschrift wilde maken dat ook buiten Brabant zou worden gelezen, waarvoor, nog erger, misschien zelfs niet-Brabantse journalisten zouden willen schrijven. Dat is elitair, zo kreeg ik te horen, ‘dus’ niet voor ‘ons Brabanders’.

Het is het soort geluid dat ik vaker hoor. Vorig jaar, op een feestje bij de Pont, ten tijde van de Ai Wei-Wei tentoonstelling, ging het uiteraard over de bezoekcijfers. Die stemde niet iedereen die ik sprak even enthousiast. Het moest nu wel stoppen vond iemand, want de Tilburgse infrastructuur kon dat niet aan. Ik ga u niet vertellen wie deze sombermans was. Het is genoeg om te weten dat hij op de loonlijst van de gemeente Tilburg staat. En wat dacht u van de discussie zoals die nu door Bredase en Tilburgse gemeenteraadsleden wordt gevoerd over de culturele hoofdstad? Liever geen culturele hoofdstad dan Eindhoven culturele hoofdstad, zo heb ik inmiddels begrepen.

Dat ‘klein denken’ stoort mij. In het advies dat wij vorig voorjaar over de Brabantse culturele infrastructuur schreven voor Gedeputeerde Staten heb ik geconstateerd dat veel van het Brabantse culturele leven kleinschalig is, met een beperkte uitstraling buiten de provinciegrenzen. ‘De Brabantse cultuur is een verborgen, en misschien moeten we zeggen: een verborgen gehouden, schat.’ En ik herinner ook maar even aan de wijze waarop Brabant in de Lonely Planet gids wordt gekwalificeerd: ‘primarily a land of agriculture and industry’ – ‘Noord-Brabant won’t fill your schedule.’

En dat zou allemaal niet zo erg zijn, als daarmee recht zou worden gedaan aan wat Brabant te bieden heeft. Maar dat is niet zo. Brabant heeft, zo stelden wij ook in ons advies aan GS vast, ‘een nog altijd krachtig verenigingsleven, dat de voedingsbodem vormt voor een bloeiende culturele amateursector. Brabant telt twee van Nederlands belangrijkste musea voor moderne kunst. Het herbergt unieke museale werkplaatsen van internationale betekenis. Het kent een levendige film- en muziekcultuur. Is toonaangevend op het gebied van design en landkunst. Er vinden verschillende festivals plaats waar de grenzen van de beeldcultuur worden verkend en overschreden.’

Jeroen de Leyer, een van de Tilburgse absurdisten, heeft ooit gezegd: iedere toerist in Tilburg is een attractie. En, stel ik vast, daar is de rechter deze week in zijn uitspraak over de Tilburgse koopzondagen volledig in mee gegaan. Maar Tilburg heeft genoeg om trots op te zijn. Het hoeft daar niet voor naar de Efteling, de Loonse en Drunense Duinen of de Beekse Bergen te kijken. 013, De Pont, Incubate, de lokaal verguisde maar internationaal bewonderde kunst in de openbare ruimte en uiteraard dit fascinerende museum zijn attracties van de eerste orde. Benut dat, etaleer dat, maak dat zichtbaar, draag het uit. Groot denken en durven.

Wat dit museum zo aantrekkelijk maakt? Dat is de combinatie van museum en werkplaats, van techniek en kunst, of zoals het museum zelf in zijn subsidie-aanvraag zei: de combinatie van erfgoed, design en innovatie. Peilers die staan voor de kracht van Brabant. Peilers die ook deze tentoonstelling dragen. Zoals de commissie in haar oordeel over de aanvraag schreef: een project dat vernieuwende kunstenaars, illustratoren en mensen uit de mode op een interactieve manier voor het voetlicht brengt, dat sterk is door zijn experimentele karakter en de combinatie van creëren en exposeren. Ik heb zojuist een korte ‘sneak preview’ gehad en denk dat de commissie niets teveel heeft gezegd. We gaan met z’n allen kijken.

(bij de opening van de tentoonstelling Turkish Red & more in het Textielmuseum, 8 februari 2013)