Pleinvrees

Het is al weer bijna een jaar geleden dat ik voor het laatst in Italië was. We logeerden in Orvieto, in een hotelletje aan de Corso Cavour. ’s Ochtends na het ontbijt wandelden we naar de Piazza del Duomo. En meestal eindigde de dag er ook.
Op een terras, waar ze ons na twee dagen kenden, dronken we ’s ochtends onze cappuccini, ’s avonds een paar glazen wijn. Dat soort pleinen kennen we in Nederland niet of nauwelijks. In de Nederlandse ruimtelijke ordening domineert functionaliteit, wordt het sociale karakter van de stad veronachtzaamd. Pleinen worden in Nederland niet herkend als verblijfsplaatsen, als plekken om te spelen en elkaar te ontmoeten, ze worden ervaren als lege en dus nutteloze ruimtes op zoek naar een bestemming. Wij richten onze pleinen in als parkeerterrein, als pretpark, of ten minste als markt. Niet voor niets heten de meeste pleinen in Nederland naar hun functie: Dam, Vrijthof, Markt of Grote Markt.
De Nederlandse pleinvrees is illustratief voor ons ongemak met alles wat schijnbaar geen nut heeft: cultuur, natuur, onderzoek. U weet: kunst en cultuur gaan mij aan het hart. Over de waarde van kunst en cultuur wordt veel en verschillend gedacht, afhankelijk als ze in ieder geval ten dele is van persoonlijke appreciatie voor wat mooi is, wat uitdaagt, wat pijn doet, wat schuurt. Er is een neiging de waarde van kunst en cultuur te willen uitdrukken in termen van direct economisch rendement. Maar kunst en cultuur zijn meer dan bronnen van werkgelegenheid. Kunst en cultuur geven vorm aan de normen en waarden die groepen in onze samenleving verbinden. Ze tonen en geven ruimte aan diversiteit in die samenleving en schragen daarmee onze democratie. Ze voeden onze verbeeldingskracht en stellen ons zo in staat greep te krijgen op de werkelijkheid en er aan te ontsnappen. Ze laten ons de werkelijkheid niet als gesloten maar als open ervaren. Kunst en cultuur geven lucht en zuurstof aan de samenleving. Net als fundamenteel wetenschappelijk onderzoek en natuur gedijen kunst en cultuur in de vrije ruimte. Ze zijn het terrein van Huizinga’s homo ludens en vragen om oog voor het nut van het (schijnbaar) nutteloze.
Maar in het huidige maatschappelijke klimaat is de homo ludens geen ideaal. Hij is een ongeloofwaardige idealist of, erger, een klaploper. In een discussie in de Volkskrant (25 juni 2012) met Thomas von der Dunk over de VVD-voorstellen om ontwikkelingssamenwerking voortaan over te laten aan particuliere liefdadigheid formuleerde Geen Stijl-columnist Bert Brussen het cynisch maar scherp: ‘Je kunt van alles vinden over de ziel – van romantisch tot pathetisch – maar zodra het mensen in hun eigen portemonnee raakt, zegt die ziel ze niks. Het enige dat écht 21 gram weegt, is een nikkelen muntstuk. Toevallig ook het enige dat wél tastbaar is.’ Docent, schrijver en filosoof Martin Slagter haalde er diezelfde dag in dezelfde krant Nietzsche bij: ‘Met onze bevrijding van de knellende banden van kerk en geloof, het afschudden van onze “ideologische veren”, zijn we ook iets anders kwijt geraakt, en wel ons contact met het transcendente. In een door rationalisering “onttoverde” wereld resteert slechts het zintuiglijk waarneembare.’ De economisering van de samenleving – de neiging om alles te beoordelen in termen van economisch nut – ziet hij als het gevolg ‘van wat Nietzsche aanduidde als “de dood van God”. Na het afschaffen van de Grote Verhalen en de daarop gebaseerde normen en waarden resteerde slechts één waarde: het individueel genieten van diensten en goederen.’
Het is, zeggen sommigen, ‘the end of ideology’, de definitieve overwinning van het liberalisme. Onze eeuw zal, zo zeggen zij, net als de 19e eeuw, een liberale eeuw zijn. Maar het 21e-eeuwse liberalisme, dat met zijn geloof in de maakbaarheid van de mens ieder succes viert als eigen verdienste, tegenslag definieert als een teken van persoonlijk en verwijtbaar falen, is ver afgeraakt van de gemeenschapszin en het plichtsbesef dat het liberalisme kenmerkte van Adam Smith en John Stuart Mill of, in Nederland, Thorbecke en Cort van der Linden, van Van Marken, Stork en Van Heek. Het is weinig meer dan het van elk schaamtegevoel bevrijde egoïsme van Marten Toonders Bovenbazen of, zo u wil, de 19e-eeuwse Amerikaanse ‘robber capitalists’.

Het heeft ons het circus-Rutte van de afgelopen jaren gebracht, politici die ons wilden doen geloven dat caviapolitie en btw-verhoging op theaterkaartjes, verbod op boerka’s en dubbele paspoorten en verhoging van de maximumsnelheid en van de griffierechten het antwoord zijn op de grote maatschappelijke uitdagingen waar we in dit land en in Europa voor staan.
Europa ontwikkelt zich in hoog tempo tot een bejaardentehuis, backwater van de wereldeconomie, een museumkwartier waar Amerikanen, Aziaten en wie weet straks ook Afrikanen zich kunnen vergapen aan hoe het vroeger was. En in plaats van de luiken open te zetten doen we ze dicht. We reageren zoals in de 16e en 17e eeuw de Chinezen en de Japanners toen die werden geconfronteerd met opdringerige Europeanen, de roodharige barbaren uit het Westen.

Vorig jaar zei ik al dat ik me zorgen maakte over het Nederlandse wetenschapsbeleid. Dat is inmiddels in belangrijke mate dienstbaar gemaakt aan het topsectorenbeleid van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Het moet dus vooral economisch nuttig zijn, lees: op de korte termijn geld voor het bedrijfsleven opleveren. Ik herhaal wat ik vorig jaar zei: ‘Hier ligt verschraling op de loer, die uiteindelijk leidt tot het tegendeel van wat wordt beoogd. In onderwijs en onderzoek moeten nieuwsgierigheid, verbazing en verbeelding leidend zijn, niet economisch rendement. Dat vraagt om een brede oriëntatie op de wereld, waarin niet alleen ruimte is voor de vragen naar “hoe”, maar ook voor vragen naar “wat” en “waarom”.’ Dat soort onderzoek leverde dit jaar wereldnieuws op. De ontdekking een paar weken geleden van het Higgs-deeltje verandert ons begrip van de werkelijkheid op een manier die we nog maar nauwelijks kunnen overzien. De ontdekking eerder dit jaar van ‘majoranadeeltjes’ door een Delftse onderzoeksgroep onder leiding van de natuurkundige Leo Kouwenhoven heeft waarschijnlijk op veel kortere termijn maatschappelijke implicaties. De vondst is interessant voor computerfabrikanten omdat het de ontwikkeling van een quantumcomputer mogelijk maakt, een computer die niet rekent met enen en nullen, maar tegelijkertijd met alle potentiële tussenwaarden tussen een en nul, waardoor veel meer rekenkracht ontstaat. Het onderzoek werd gefinancierd door Microsoft en door NWO. Maar het inmiddels ingezette topsectorenbeleid maakt voortzetting van de financiering door NWO onmogelijk. Het onderzoek van Kouwenhoven komt niet in aanmerking voor de subsidies waarmee het kabinet de samenwerking tussen wetenschap en bedrijfsleven bevordert. Toepassingen zijn er pas over twintig jaar. Dat is voor Nederlandse beleidsmakers te fundamenteel. Het weerhield premier Rutte er niet van Leo Kouwenhoven trots te tippen als toekomstig Nobelprijswinnaar. Onnavolgbaar opportunisme.

Dat denken in termen van nut en rendement op de korte termijn teistert ook het onderwijsbeleid. Het leidt tot een geleidelijke privatisering van de onderwijskosten. De studiefinanciering wordt vervangen door wat men een sociaal leenstelsel noemt, een tweede studie is voor gewone mensen vrijwel onbetaalbaar geworden, langstudeerders krijgen een boete, faciliteiten voor bestuurders en sporters worden beëindigd. Het zal de onnavolgbare opportunisten in Den Haag er straks ongetwijfeld niet van weerhouden eventuele Olympische successen van Nederlandse studenten mee te vieren. Het laatste bedenksel: artsen in opleiding mogen straks een deel (en zo wordt ongetwijfeld gedacht: stapsgewijs een steeds groter deel) van hun opleidingskosten zelf betalen. Nog los van de vraag hoe een dergelijk beleid zich verhoudt tot de overtuiging, uitgedragen door dezelfde ministersploeg, dat we met z’n allen te lang en te veel op de pof hebben geleefd, het is een benadering van onderwijs die de maatschappelijke betekenis van een hoog opgeleide bevolking lijkt te ontkennen.

Diezelfde twijfel over de maatschappelijke betekenis van onderwijs vertroebelt de discussie over de kwaliteit van ons onderwijs. Zoals u weet: ik behoor tot degenen die zich zorgen maken over die kwaliteit, die – in de traditie van Plato – geneigd zijn te denken dat het vroeger beter was. Ik denk ook een globaal idee te hebben van wat de oorzaken zijn van de afgenomen kwaliteit: de besteding van middelen (te veel aan de overhead, te weinig aan het primaire proces, met dank aan de schaalvergroting van de afgelopen decennia), het opleidingsniveau van docenten met name in het basis- en het voortgezet onderwijs, de tijd die leerlingen aan onderwijs besteden (wat, voor de goede orde, iets anders is dan de vermaledijde onderwijstijd: de tijd dat leerlingen op school aanwezig zijn) en een maatschappelijk klimaat dat niet of veel minder prikkelt tot nieuwsgierigheid, tot verkenning van het onbekende. Ik juich de aandacht die er de afgelopen jaren is gekomen voor de kwaliteit van ons onderwijs toe, maar ik twijfel over de effectiviteit van veel van de genomen maatregelen.
Dat brengt me bij de kwaliteit van ons eigen onderwijs, het onderwijs op het SMC. Ook dat is een heet hangijzer. Ons vwo wordt – u weet het – inmiddels gekwalificeerd als zwak. We hebben daar als bestuur en schoolleiding onlangs met de inspectie over gepraat en u mag zich verheugen in uitgebreid inspectiebezoek, ook aan uw lessen, in de loop van oktober. Dat inspectiebezoek komt een beetje als mosterd na de maaltijd. Wij maken ons al langer zorgen over de ontwikkeling van onze kwaliteit, hebben – niet altijd tot uw genoegen – al vorig jaar fors ingezet op maatregelen om die te verbeteren. En toen ik hier vorig jaar het jaar afsloot kon ik al vaststellen dat we de weg naar boven gevonden hadden. Op die weg hebben we dit jaar een paar grote extra stappen gezet. Onze eindexamenresultaten op het vwo zijn sterk verbeterd. Ons slagingspercentage ligt ruim boven het landelijk gemiddelde. Bij het centraal examen liggen bij de meeste vakken de cijfers inmiddels op of soms zelfs boven het landelijk gemiddelde en vooral daardoor is de afstand tussen centraal examen en schoolexamen binnen aanvaardbare grenzen gekomen. Van de weeromstuit overigens lijken we op de havo – waar we trouwens ook boven het landelijk gemiddelde presteren – negatief te gaan escaleren: de cijfers voor de schoolexamens liggen er bij diverse vakken inmiddels flink onder die voor het centraal examen en dus presteren we niet optimaal.
Die al ingezette verbetering kleurde het gesprek zoals wij dat met de inspectie voerden. Het bood ook ruimte voor een kritische benadering van de manier waarop de inspectie onze kwaliteit meet. Want dat we zwak zijn ligt niet alleen aan onze eindexamenresultaten, maar ook aan onze door- en afstroomcijfers. En over de mate waarin die inzicht geven in onderwijskwaliteit is discussie mogelijk. Als ik het kort samenvat: de wijze waarop door- en afstroomcijfers worden gehanteerd als maat voor onderwijskwaliteit bevoordeelt grote scholen, scholen die onder één BRIN-nummer het hele spectrum van gymnasium tot en met vmbo aanbieden, en stimuleert afstroom in het eerste jaar. Om het heel concreet te maken: een brede school die een leerling met een gymnasium-advies na vier jaar met een vmbo-diploma naar huis stuurt wordt beloond, wanneer wij een leerling met een havo/vwo-advies toelaten en na vijf jaar een havo-diploma weten te bezorgen krijgen we strafpunten. Dat komt niet helemaal overeen met ons beeld van kwaliteit. Sterker: ik ben van mening dat de inspectie zich door het op deze manieren hanteren van door- en afstroomcijfers dienstbaar maakt aan het door financiële motieven gedreven politieke streven de leertijd zoveel als mogelijk te beperken. De inspectie zou zich daar juist op kwalitatieve gronden tegen moeten verzetten. Ongevoelig was de inspecteur niet voor onze kritiek. Tegelijkertijd: wil die kritiek geloofwaardig zijn, dan moeten eerst onze eindresultaten goed zijn. Die brug lijken we genomen te hebben.

Een geloofwaardigheidsprobleem was er ook met de stakingen aan het begin van 2012. Sommigen van u hebben gestaakt, sommigen van u hebben zelfs twee keer gestaakt. Neem van mij aan: ik begrijp veel van uw ongenoegen. U verdient meer respect dan u krijgt en u zult uit het voorgaande begrepen hebben dat ik weinig tranen gelaten heb toen Mark Rutte zich 23 april bij de koningin meldde om het einde van zijn circusnummer aan te kondigen. Maar het wil niet zeggen dat ik blij was met uw stakingen. Waarom niet? Omdat u niet in staat was de beeldvorming over de redenen van de stakingen te bepalen. Daar maakten u weinig welgezinde politici zich meester van. Belangrijkste probleem was dat het over zoveel ging. En dat blijkbaar niet voorkomen kon worden dat de indruk ontstond dat het u daarbij vooral om uw zomervakantie ging. De vakbonden waren niet in staat het echte probleem over het voetlicht te brengen: het relatief grote aantal contacturen, de relatief grote klassen en de aanzienlijke schriftelijke verantwoordingsplicht, waardoor deskundigheidsbevordering, bijscholing, onderwijsvernieuwing en reflectie een vorm van vrijetijdsbesteding dreigen te worden. Dat maakte de stakingen tot een op voorhand verloren zaak.
Over uw zomervakantie wil ik niet al te veel zeggen. U bent er hard aan toe. Ik volsta met een drietal observaties.
Wie klaagt over de werkdruk in het onderwijs en tegelijkertijd de lange zomervakantie koestert doet een zware aanslag op het gevoel voor logica. Er is een onvermijdelijk verband tussen die zomervakantie en de werkdruk door het jaar heen.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat bij sommigen in het onderwijs, en in ieder geval bij veel van hen die aan het begin van het jaar aan het woord kwamen over het waarom van hun staking, een weinig realistisch beeld bestaat van werktijden, vakantiedagen, overwerkregelingen, arbeidszekerheid en salarisniveaus zoals ze voor de meeste Nederlanders gelden.
Tenslotte: het is niet onverstandig u af te vragen of de schoolvakantie zoals we die nu kennen nog een lange toekomst heeft. Ik durf de voorspelling wel aan: die vakantie gaat verdwijnen. Het onvermijdelijke lerarentekort zal ons met dank aan de moderne ict-technieken andere vormen van onderwijs brengen: intensiever, maar tegelijk minder klassikaal en veel individueler. De collectieve schoolvakanties verliezen daarmee hun laatste ratio.
U bent die ene vakantieweek inmiddels dan ook kwijt. Dat spijt me voor u, maar ik hoop dat het u stimuleert om zelf de modernisering van werkomstandigheden en arbeidsverhoudingen in het onderwijs ter hand te nemen en niet te wachten tot anderen die op hun manier aan u opleggen.
(toespraak tot de Algemene Docenten Vergadering van het St. Michaël College in Zaandam, 13 juli 2012)

Geef een reactie