De nieuwe mens

Of ik Auke van der Woud kende, werd onlangs aan ij gevraagd. Ja, ik ken Auke van der Woud. Althans, ik weet wie hij is: ooit conservator en adjunct-directeur van het Kröller-Müller Museum, later hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis in Groningen, inmiddels met emeritaat. Hij is de auteur van een fantastisch boek over de ruimtelijke ordening in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw: Het lege land. Hij promoveerde er in 1987 op. In 2006 verscheen een ‘vervolg’: Een nieuwe wereld. Het ontstaan van het moderne Nederland. Of ik zijn laatste boek kende? Ja, ik had het al gelezen: De nieuwe mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900. De afgelopen zomer heb ik er diverse mensen stukjes uit voorgelezen. Het is een fascinerend boek, dat een interessant licht werpt op veel discussies die we voeren over de toekomst van kunst en cultuur.

Om een idee te geven citeer ik het achterplat van het boek: ‘In de late negentiende eeuw steeg de materiële welvaart spectaculair, en de mensen gingen anders kijken, ervaren en denken. Zo ontstond de nieuwe cultuur die tot op de dag van vandaag als de moderne wordt gezien. In de oude beschaving stond het streven naar “het hogere” voorop, de hoogste waarden waren immaterieel, “geestelijk”. De nieuwe cultuur kwam met andere, heel aardse waarden en normen. Die werden massaal omarmd, het eerst en vooral in de grote steden. Daar waren de spraakmakende winkels, de verbluffende horeca-concepten, de eerste bioscopen, daar waren alle nouveautés te zien. In deze nieuwe cultuur werd het concrete, het materiële, belangrijker dan het ideële. Het hebben van spullen en een goede gezondheid werden de bronnen van geluk.’

Wat Auke van der Woud beschrijft is de opkomst van de materialistische massacultuur. Die nieuwe cultuur heeft volgens Van der Woud ‘geen eigen programma’, maar is open en pluriform: de massacultuur stelt zich open voor het nieuwe en kiest daaruit het beste, het efficiëntste, het duurste, het goedkoopste, het mooiste, het verleidelijkste, het indrukwekkendste, zodat iedereen zijn eigen werkelijkheid kan maken. ‘De bouwstenen van die werkelijkheid lagen voor het grijpen: in de winkels, in de kranten, de tijdschriften en in de contacten met andere mensen. Het waren aardse, materiële bouwstenen, iedere dag weer en telkens meer, het waren er zoveel en ze vroegen zo veel aandacht dat er geen tijd meer overbleef om aan andere, ‘hogere’ maar onzichtbare onderwerpen te denken.’ In navolging van Georg Simmel spreekt Van der Woud over ‘de cultuur der dingen’: de gerichtheid op het aardse, het fysieke, het hier en nu, het openstaan voor de aantrekkelijke buitenkant, het verwelkomen van het onechte omdat het Ware saaie oude beschaving is.’

Van der Woud wil de cultuurgeschiedenis van de afgelopen anderhalve eeuw herschrijven: ‘niet meer zo veel exclusieve aandacht voor het intellectuele en het kunstzinnige.’ ‘Een cultuurgeschiedenis van de jaren rond 1900 kan niet volstaan met feiten over schilders, dichters en theaters.’ Wanneer hij het culturele klimaat van het fin de siècle beschrijft eindigt hij met een veelzeggende observatie: ‘Intussen was er een onbekend aantal schilders, tekenaars en schrijvers die zich intensief met de menselijke geest bleven bezighouden. Zij waren niet met hun allerindividueelste zielenroerselen bezig. Integendeel, ze concentreerden zich volledig op de geest van de massa, hoe groter die massa was, des te beter. Over de meesten van hen en hun werk is maar weinig bekend. Ze maakten platte, lage kunst voor het brede publiek. Kunst met verborgen verleiders: de reclame waar de moderne samenleving niet meer zonder kon.’

De nieuwe mens roept de vraag op of wat wij vandaag de dag ervaren als ‘crisis in de wereld van kunst en cultuur’ niet de naweeën zijn van die botsing die Auke van der Woud beschrijft tussen de traditionele, elitaire en ideële hoge cultuur en de platte, brede en materialistische massacultuur. Zoals hij zelf in zijn inleiding zegt: ‘De oude beschaving verdween niet meteen; pas in de late twintigste eeuw kwam de aardverschuiving die wat er van de oude beschaving over was (dat was vrij veel), grotendeels wegvaagde. Er zijn resten die vandaag de dag nog worden gecultiveerd. De meeste zijn door de nieuwe cultuur geabsorbeerd. Hun inhoud en oude waardigheid verdween en hun buitenkant wordt bewonderd, als versierde scalps.’

Ik weet niet of Auke van der Woud gelijk heeft, maar het is een fascinerende analyse die in ieder geval bij mij de nodige vragen oproept over wat zinvol cultuurbeleid is.