Tussen hoop en vrees

De uitkomsten van het PISA-onderzoek zoals ze in december vorig jaar werden gepresenteerd werden door minister van onderwijs Marja van Bijsterveld aangegrepen om een hervorming van het middelbaar onderwijs aan te kondigen.

Of de uitkomsten van het PISA-onderzoek zo eenduidig waren, is de vraag. Derk Reneman, van 2003 tot 2007 directeur strategie op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zag, kijkend naar de ontwikkeling van de afgelopen zeven jaar ‘een lichte, deels niet-significante, daling van de onderwijsprestaties. Nederland doet het zo’n 1 procent minder goed dan in 2003. Dat is een daling, maar zeker geen grote.’ Hij haalde er een andere studie bij, van de OESO, Education at a Glance. Hieruit blijkt dat Nederland per leerling minder uitgeeft dan de OESO-landen gemiddeld en hij concludeert vervolgens: ‘Tegen een ondergemiddelde investering levert het onderwijs in Nederland een bovengemiddelde prestatie. Het Nederlandse onderwijsstelsel presteert daarmee boven verwachting. Daarom ligt het niet voor de hand om in te grijpen in het stelsel, en zeker niet drastisch.’ (NRC Handelsblad, 10 december 2010)
Het gelijk van Reneman was politiek irrelevant. Nederland, zo werd geconstateerd, is uit de top-tien van wereldwijd best presterende onderwijslanden gezakt. Op het gebied van taal presteert Nederland nog het beste: ten opzichte van de cijfers van 2006 handhaafde Nederland zich op de tiende plek. Op de terreinen wiskunde en natuurwetenschappen is Nederland ten opzichte van 2006 een plek gedaald, naar de elfde plaats, na landen als Canada en Japan. Nederland scoort nog wel boven het gemiddelde, maar de afstand tot dat gemiddelde is kleiner dan de afstand tot de nummer 1 op de wereldranglijst. En het belangrijkste: de cijfers van PISA 2009 tonen dat de dalende trend van de laatste tien jaar zich voortzet.
De Onderwijsinspectie bevestigde in het voorjaar de uitkomsten. In een buitengewoon kritisch Onderwijsverslag werd geconstateerd dat het niveau van de middelbare scholen daalt. Er is minder parate kennis bij eindexaminandi. Scholen poetsen de cijfers op. Vooral bij wiskunde, Nederlands en Engels zijn de resultaten achteruitgegaan. Sommige leraren beheersen de stof niet, of kunnen die niet goed overdragen.
En in juni verscheen Nederlandse onderwijsprestaties in perspectief, een rapport van het Centraal Planbureau. De prestaties van Nederlandse leerlingen blijven consequent achter bij die van de beste leerlingen in veel andere ontwikkelde landen, zo laat het CPB zien. In de groep meest getalenteerde leerlingen staan de Nederlanders nergens in de internationale top-10. De groepen met zwakste scholieren doen het in Nederland relatief goed. Sterker nog, zegt het CPB, als die prestaties niet redelijk goed waren, zou de gemiddelde score van Nederland nog veel slechter uitvallen.

Voor Van Bijsterveld bevestigde het CPB-rapport nog een keer de noodzaak van een beleidswijziging. Haar maatregelen kort samengevat: het aantal profielen wordt teruggebracht, van vier naar twee. Er worden kernvakken benoemd, die ook bij de afsluiting van de onderbouw worden getoetst. Kennis wordt weer belangrijker dan competenties.
Aanvullend werd in het voorjaar prestatiebeloning voor docenten aangekondigd. Staatssecretaris Zijlstra omarmde de conclusies van het advies Excellente leraren als inspirerend voorbeeld van de Onderwijsraad. De beste 5 procent docenten van een school zou één dag per week moeten worden vrijgesteld van lestaken. Zij zouden projecten moeten ontwikkelen om het onderwijsniveau op de school te verhogen. Daarvoor zouden ze jaarlijks € 10.000,- ter beschikking moeten hebben. Als beloning voor hun prestaties moeten ze tot € 2.500,- per jaar meer kunnen gaan verdienen.

Er was kritiek en gemopper. Uiteraard waren de vakbonden het met de prestatiebeloning oneens. Niet ten onrechte vroegen zij zich af of het onderwijs er werkelijk mee gediend zou zijn om goede docenten voor de klas weg te halen en andere taken te geven. Het is allerminst vanzelfsprekend dat een goede docent ook een goede onderwijsontwikkelaar is.
Maar per saldo konden de plannen van de minister en de richting van het beleid op brede instemming rekenen. Het is illustratief voor een verandering van de onderwijscultuur. Niet langer gaat de discussie over gelijkheid en toegankelijkheid. Presteren en excelleren zijn de nieuw trefwoorden.
We herkennen die cultuurverandering ook in de acceptatie van het naast elkaar bestaan van zwarte en witte scholen en het nadrukkelijk afzien van een integratiebeleid en in de maatregelen zoals staatssecretaris Zijlstra ze onlangs ten aanzien van de toegankelijkheid van het hoger onderwijs aankondigde. Die maatregelen beogen het rendement van het hoger onderwijs te verbeteren. Ze zullen – als het er van komt –verregaande consequenties krijgen voor het vwo. Universiteiten én hogescholen mogen gaan selecteren aan de poort voor opleidingen die ‘een hoog eindniveau, een sterke internationale oriëntatie of een intensief studieklimaat’ hebben. De cijferlijst van scholieren gaat een rol spelen bij de toelating, maar daarnaast moeten er selectiegesprekken worden gevoerd waarin de motivatie van een student wordt gepeild. Als het er van komt. Er werden al snel grote vraagtekens gezet bij de uitvoerbaarheid en het rendement van de voorgestelde nieuwe toelatingsprocedures. Experimenten, onder meer in Leiden, leverden de afgelopen jaren geen geweldige resultaten op. De selectie bleek niet eerlijk: ook onder degenen met lagere examencijfers zaten goede, gemotiveerde studenten; ook slimmeriken bleven lang plakken toen ze het feesten hadden ontdekt. Bij motivatiegesprekken is de kans groot dat je niet de getalenteerde, maar de goedgebekte studenten en de ijverige cv-bouwers eruit pikt. En, vroeg menige praktische geest zich af: wie gaat al die motivatiegesprekken voeren? Daarover was in Den Haag nog niet heel diep nagedacht.

Het neemt niet weg: ik ben over de cultuurverandering die zich aftekent niet negatief. Wie mij hier de afgelopen jaren heeft beluisterd weet: ik ben nooit een liefhebber van het competentiegericht onderwijs geweest, ben altijd het belang van kennis en kennisoverdracht blijven beklemtonen en heb me altijd verzet tegen de gedachte dat leren vooral leuk moet zijn.
Toch maak ik kanttekeningen.

Ik begrijp de terugkeer naar twee profielen, het vertrouwde alpha en bèta. Maar ik aarzel bij de kernvakken. Nederlands, Engels, wiskunde? Ja. Maar ook of daarnaast alleen maar natuurkunde, scheikunde en biologie? Dat wijst in dezelfde richting als het wetenschapsbeleid zoals dat door staatssecretaris Zijlstra en minister van Economische Zaken Verhagen wordt bepleit: het moet vooral economisch nuttig zijn, lees: op de korte termijn geld voor het bedrijfsleven opleveren. Hier ligt verschraling op de loer, die uiteindelijk leidt tot het tegendeel van wat wordt beoogd. In onderwijs en onderzoek moeten nieuwsgierigheid, verbazing en verbeelding leidend zijn, niet economisch rendement. Dat vraagt om een brede oriëntatie op de wereld, waarin niet alleen ruimte is voor de vragen naar ‘hoe’, maar ook voor vragen naar ‘wat’ en ‘waarom’. Niet voor niets aarzelt ook Eppo Bruins, experimenteel fysicus en directeur van de Stichting voor Technische Wetenschappen: ‘Dit is een tijd waarin we economische motieven meteen begrijpen, maar culturele of democratische motieven minder en dat is bepaald ongemakkelijk.’ (de Volkskrant, 25 juni 2011) Lees Not for profit. Why democracy needs the humanities, een pamflet van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum, in het Nederlands vertaald als Niet voor de winst. Zij waarschuwt met kracht tegen de volgens haar wereldwijde tendens om onderwijs uitsluitend nog in economische termen te beoordelen, vooral uit angst internationaal achterop te raken. Die paniek leidt volgens haar tot grote kaalslag bij de vakken die altijd al het stigma van ‘alleen maar leuk’ hadden: de talen, literatuur, drama, muziek, geschiedenis, filosofie. Dat is zo betoogt zij een drama voor de democratische samenleving. Het zijn juist deze ‘zachte’ vakken die kinderen leren rekening te houden met andermans gevoelens, die hen tot bewuste burgers maken. Wie romans leert lezen, of toneelspeelt, moet zich tenslotte wel verdiepen in een onbekende, een leuke moslim misschien, of iemand die niet zo cool is als de mediacultuur ons inpepert dat we moeten zijn. En wie leert filosoferen, leert verantwoordelijkheid te nemen voor zijn opvattingen. ‘Onderwijs dat gebaseerd is op winstgevendheid leidt tot hebzuchtige stompzinnigheid.’

We praten over presteren en excelleren, zeggen dat we als kenniseconomie in de mondiale top-5 willen komen, willen dat uiteindelijk ten minste 50% van onze beroepsbevolking afgestudeerd is in het hoger onderwijs. Dat vraagt om investeringen. Die zie ik nog niet. Er wordt nog steeds bezuinigd op onderwijs. Onderwijsbeleid is primair financieel beleid. Het is gericht op extensivering van de begeleiding en op beperking van de leertijd. Wie meer wil – langer studeren, een tweede studie, intensievere begeleiding – zal daar, als het aan de huidige regering ligt, groot geld voor moeten betalen.
Ik wil in dit verband even stil staan bij de discussies zoals die het afgelopen jaar zijn gevoerd naar aanleiding van het diplomaschandaal bij Inholland.
Nu bijna tien jaar geleden begeleidde ik een stagiair van de Academie voor Communicatie van – toen nog – de Hogeschool Holland in Diemen. Hij moest voor mij bij wijze van scriptie een marketing-communicatieplan schrijven. Ik moest die scriptie beoordelen samen met een docent van de opleiding. Dat leverde een interessante discussie op. Ik vond de scriptie onvoldoende, de docent meende hem met een 9 te moeten waarderen. U begrijpt dat ik met belangstelling heb gelezen dat de inspectie vijftien scripties die het afgelopen jaar zijn geschreven bij de afdeling commerciële economie van Inholland in Diemen opnieuw heeft bekeken en ze alle vijftien onvoldoende heeft beoordeeld. Ik wil maar zeggen: het is een probleem dat al jaren bestaat. Blijkbaar is het klimaat er nu pas naar dat we het onder ogen kunnen zien. Ik denk ook dat wie veronderstelt dat het probleem zich tot Inholland beperkt zichzelf een rad voor ogen draait. NRC Handelsblad publiceerde vorige maand een korte serie artikelen over het hoger beroepsonderwijs, met veelzeggende titels: ‘hoe de hogescholen steeds groter werden’, ‘hoe het hbo de vakdocent verjoeg’, ‘iedereen moet naar de hogeschool’. Het zijn in een nutshell de factoren die tot het Inholland-schandaal hebben geleid. Het zijn ook in een nutshell de problemen van het hoger beroeponderwijs en in zekere zin van het onderwijs meer in het algemeen: uit hun krachten gegroeide onderwijsinstellingen, almaar groeiende overhead die leidt tot verschraling in het primaire proces, sturing op kwantitatieve output. En het is voor mij zeer de vraag of men in Den Haag de aard van de problemen in voldoende mate onderkent en al helemaal of men bereid is de nodige maatregelen te nemen. Dat onderwijsinstellingen te groot zijn geworden is een geluid dat inmiddels wel klinkt, maar ik zie nog geen beweging die moet leiden tot het opsplitsen van de veelal in marmeren paleizen gehuisveste molochen. Dat er iets mis is met de kwaliteit van docenten, ook dat wordt gezien. Maar de aangekondigde maatregelen gaan dat probleem niet oplossen. En nog steeds stuurt de overheid op kwantitatieve output. Terwijl het schandaal rond Inholland zich ontrolde stond in de Tweede Kamer de staatssecretaris een wetsvoorstel te verdedigen dat de universiteiten moest stimuleren om ook hun studenten binnen vier jaar een diploma te geven.
Want voor onze overheid lijkt vooral de studieduur een probleem. Het is een probleem waar al decennia lang over wordt gepraat. We weten ook al heel lang in welke richting een oplossing moet worden gezocht: intensivering van de begeleiding. Maar dat was en is een politiek onverkoopbare oplossing – want hij kost geld. In plaats daarvan wordt sinds jaar en dag het prijsmechanisme gehanteerd – via verhoging van het collegegeld en door invoering van de tempobeurs en de prestatiebeurs. Het heeft niet geholpen.
De huidige regering kiest nu voor rigoureuzere oplossingen: studiefinanciering wordt beperkt tot de bachelor-fase, universiteiten mogen voor een intensievere begeleiding een hoger collegegeld vragen, al eerder kregen ze de mogelijkheid voor een tweede studie de hoofdprijs in rekening te brengen. Hoger onderwijs schuift dus op, van een collectief goed naar een privaat goed. In Onderwijsbeleid in Nederland. De kwantificering van effecten kunt u lezen wat de gevolgen zullen zijn. Onderzoekers van het Centraal Planbureau buigen zich daar onder meer over wat de ‘schooling premium puzzel’ heet: hoe kan het dat individuen zelf niet meer investeren in onderwijs, hoewel zowel het private als het sociale rendement zoveel hoger ligt dan de risicovrije rente? Zij zoeken de verklaring in wat ze ‘hyperbolic discounting’ noemen: ‘Individuen hebben moeite met het inschatten van private opbrengsten over een lange tijdshorizon en dus met name op de horizon waarop onderwijsopbrengsten zichtbaar worden. Hierdoor hebben zij de neiging de toekomstige opbrengsten aanzienlijk lager te waarderen dan op basis van hun korte termijn preferenties mag worden verwacht. Soms is dat zo extreem dat zij lange termijn opbrengsten in het geheel niet meenemen in hun investeringsbeslissing.’ In gewoon Nederlands: studenten zullen niet bereid zijn te lenen om de kosten van een betere opleiding te betalen. Dat betere hoger onderwijs wordt dus iets voor de beter gesitueerden. Ook in dat opzicht gaan we terug naar af. Hoe zich dat verhoudt tot de beoogde kenniseconomie moeten ze in Den Haag nog bedenken.

In zekere zin worden de problemen rond zorgleerlingen op een vergelijkbare wijze aangepakt. We constateren dat het aantal zorgleerlingen toeneemt. Over de mate waarin bestaat onduidelijkheid. Er is in de discussie over passend onderwijs op een ondoorgrondelijke manier met cijfers gegoocheld. Het huidige kabinet heeft op dat gebied inmiddels een reputatie – denk aan de 3000 agenten extra die er uiteindelijk 3000 minder minder bleken te zijn, of de Zeeuwse rekenkunde van staatssecretaris Bleker –, maar pour besoin de la cause ben ik bereid aan te nemen dat er in dit geval geen kwade wil of, zo u wil, politiek opportunisme achter school, alleen maar domheid. Het neemt niet weg dat ook hier de oplossing gezocht wordt in een extensivering van de begeleiding. Het speciaal onderwijs wordt grotendeels ontmanteld, de zorg wordt ten laste gebracht van het reguliere onderwijs. Wie meer wil, zoekt het zelf maar uit. Een kind kan voorspellen wat het resultaat zal zijn.

Ik wil maar zeggen: we willen veel, maar het mag niks kosten. Althans niet aan de overheid. Wie goed onderwijs wil moet zelf investeren. Het is illustratief voor de verandering die ons maakbaarheidsgeloof heeft ondergaan. We geloven niet meer dat de samenleving maakbaar is. We hebben het ingeruild voor het liberale geloof in de maakbare mens: het knappe, actieve, succesvolle individu dat alles uit het leven haalt, alles uit het leven kan halen, als hij of zij maar wil. Het is een mooi geloof, maar helaas blijft de werkelijkheid vaak achter bij dit stralende vergezicht. Je kunt het wel denken dat je meester bent van je leven, moet het misschien zelfs willen, maar het blijft uiteindelijk een illusie. Lees Freedom, de nieuwe ‘great American novel’ van Jonathan Franzen, of Huid en haar, van onze eigen Arnon Grunberg. De Amerikaanse columnist David Brooks vatte het onlangs in de International Herald Tribune mooi samen: ‘Today’s grads enter a cultural climate that preaches the self as the center of a life. But, of course, as they age, they’ll discover that the tasks of life are at the center. Fulfillment is a byproduct of how people engage their tasks, and can’t be pursued directly. Most of us are egotistical and most are self-concerned most of the time, but it is nonetheless true that life comes to a point only in those moments when the self dissolves into some task. The purpose in life is not to find yourself. It’s to lose yourself.’
Zoals Floor Rusman, een studente politicologie in  Amsterdam, vorige week zaterdag in NRC Handelsblad in een open brief aan Mark Rutte constateerde: ‘De realiteit staat klaar om u in te halen. […] Wat zult u doen als de praktijk weerbarstiger blijkt dan het optimistische verhaal en als duidelijk wordt dat “eigen verantwoordelijkheid” geen toverformule is?’

(toespraak tot de Algemene Docenten Vergadering van het St. Michaël College in Zaandam, 15 juli 2011)