Oklahoma

Ik was de week voor Pasen in Oklahoma. Ik maakte deel uit van een vrij grote Brabantse delegatie die daar was in het kader van de ‘reverse mission’ en het Creativity World Forum, georganiseerd door Creativity Oklahoma, met Noord-Brabant een van de momenteel dertien leden van het wereldomspannende Districts of Creativity Network. Ik arriveerde, via Houston, op vrijdag 27 maart in Oklahoma City en werd daar door een taxichauffeur, die, toen hij hoorde dat ik uit Amsterdam kwam (ik houd het in het buitenland graag zo eenvoudig mogelijk) heel enthousiast werd en mij een groot deel van de taxirit cadeau deed, afgeleverd bij het Skirvin Hilton Hotel (‘the best and oldest hotel, sir – every president stays there when he is in town’).

Skirvin Hilton Hotel, Oklahoma City

Het Skirvin Hilton ligt in wat ‘downtown’ wordt genoemd – het centrum van de stad zouden wij zeggen. Het eerste wat me opviel toen ik me zaterdagochtend naar buiten waagde was de immense leegte: vrijwel niemand op straat, nauwelijks winkels, geen restaurants. Alles wat een centrum tot centrum maakt, een fysieke verzameling van sociale functies en openbare plekken, ontbreekt er. De Starbucks waar we die ochtend ons ontbijt wilden gebruiken was gesloten – alleen op doordeweekse dagen open.
In de dagen daarna ben ik op tal van plekken in de stad geweest en heb ik met heel veel mensen gepraat en heb ik een beetje beeld gekregen van wat er in die stad en in de staat speelt.
Oklahoma is groot, ruim vier keer zo groot als Nederland. Er wonen weinig mensen: 3,8 miljoen. Oklahoma City, de hoofdstad, telt zo’n 600.000 inwoners – dat zijn er ongeveer net zoveel als in Rotterdam. Maar de stad strekt zich uit over een oppervlakte zo groot als de zuidvleugel van onze Randstad. Het maakt de afstanden in die stad vreselijk groot. Net als veel andere Amerikaanse steden heeft Oklahoma City in de jaren 60 en 70 te kampen gekregen met een trek van mensen, winkels en kantoren naar de suburbs. Daar kwam de crisis van het begin van de jaren 80 overheen: banken gingen failliet, de olie-industrie raakte in de problemen, met als resultaat grootschalige leegstand van kantoren in de binnenstad die werd opgelost met sloop van panden. Dat maakte van het centrum van de stad een levenloze gatenkaas. Begin jaren 90 is een revitaliseringsprogramma van start gegaan, MAPS, Metropolitan Area Projects Plan, dat inmiddels drie rondes heeft gekend. Alleen al als politiek experiment is het de moeite waard. Om de zoveel jaar stemt de bevolking over een pakket van grootschalige projecten die worden gefinancierd uit een ‘tijdelijke’ sales tax. Dat pakket bevat ‘voor elk wat wils’ en haalt daardoor steeds een meerderheid die voor de afzonderlijke projecten niet vanzelfsprekend is. Meest in het oog springende resultaten: de totstandkoming van een basketbalstadion, de totstandkoming van een roeibaan, de renovatie van wat ‘bricktown’ wordt genoemd, een gebied met in verval geraakte pakhuizen die nu bestemmingen krijgen als cafés, restaurants, art galleries enz. Momenteel is er een programma in voorbereiding dat moet leiden tot verbetering van het openbaar vervoer en tot de aanleg van meer trottoirs.
Veel getuigt daarbij van een enthousiaste ‘yes you can do’ mentaliteit. Dat basketbal stadion is gebouwd als ijshockeyhal, waarvoor de stad op zoek ging naar een ijshockeyclub. Zo gaat dat daar blijkbaar: je bouwt zoiets niet voor een club die er is, maar voor een club die je koopt. Toen het niet lukte om een ijshockeyclub te kopen, hebben ze in plaats daarvan een basketbalclub gekocht, uit Seattle, en het stadion verbouwd. Ik heb er, de avond voor ons vertrek, een wedstrijd bijgewoond (OKC Thunder tegen Dallas Mavaricks) en vooral genoten van het spektakel dat er blijkbaar behoort: het gebed en het volkslied voor het begin van de wedstrijd, de Thunder Girls, de voortdurende ronddansende mascotte – een kruising tussen een bison en de dondergod Thor.
Een beetje vergelijkbaar is die roeibaan. Door Oklahoma loopt een rivier, de North Canadian River, die in de jaren 40 is afgedamd om overstromingen van de binnenstad tegen te gaan. In het kader van zo’n MAPS is het water weer gecontroleerd de stad binnengebracht en zijn op en om die rivier allerhande projecten gerealiseerd, waaronder een park en een roeibaan – en niet zo maar een: het is een roeibaan met Olympische allures, waar, uniek in de wereld, ook ’s nachts geroeid kan worden. Voor de goede orde: Oklahoma City had geen roeiclubs, die zijn er, met prachtige boathouses, pas daarna gekomen.
En het werkt. De bevolking van Oklohama City is sinds 1990 sterk gegroeid, van 400.000 naar ruim 600.000. In de VS is Oklahoma nu de staat met de meest start ups, meer dan in Californië.
Praat je met mensen in de stad over wat de stad in beweging heeft gebracht dan verwijzen ze naar de komst van de basketbalclub, OKC Thunder, of naar de reactie op de grote terreuraanslag, deze week 20 jaar geleden, waarbij 168 mensen het slachtoffer werden van een bomaanslag door Timothy McVeigh, een rechts-radicale anti-overheidsactivist. Het zijn dubieuze verklaringen. Thunder kwam in 2008 naar de stad. De bomaanslag vond plaats in 1995. De eerste ronde van MAPS begon in 1993, eerder dus. Het lijkt er wel op dat bomaanslag en komst van Thunder meer gevoel voor gemeenschappelijkheid hebben gebracht.

Oklahoma City National Memorial & Museum

Al het moois heeft uiteraard ook een keerzijde. Zo’n MAPS-programma is in heel hoge mate een verzameling prestigeprojecten. Bij de invulling ervan spelen particuliere investeerders een belangrijke rol. ‘Our government is company owned,’ vertelde iemand ons. In Oklahoma City is dat de olie-industrie (het basketbal stadion heet Chesapeake Arena, naar de oliemaatschappij Chesapeake) en de Chickasaw Nation, de belangrijkste groep ‘native Americans’, rijk geworden door hun casino’s. In Tulsa, de tweede stad van Oklahoma, draagt vrijwel alles wat de moeite waard is het naambordje van George Kaiser, een olieboer die zijn tijd verdeelt tussen Oklahoma en Californië. ‘He’s called Kaiser, but really he is God.’ ‘Als Kaiser iets wil, is het binnen een jaar geregeld. Als ons stadsbestuur iets wil, mag je blij zijn als het na 15 jaar geregeld is.’ Ik aarzel dan toch een beetje. Het leidt af en toe tot rare dingen.

Tulsa Girls Art School

In Tulsa waren we ook te gast bij de Tulsa Girls Art School. Daar krijgen talentvolle meisjes die schoolgaan op scholen in achterstandswijken negen jaar lang een artistieke opleiding. Waarom is er alleen een ‘girls art school’? Omdat de founder van de school een mevrouw is die het alleen voor meisjes wil doen en er niemand is die een vergelijkbaar initiatief voor jongens wil financieren. In Oklahoma City zie je ook dat de onderlinge samenhang tussen alle projecten niet altijd gewaarborgd is. Daarover hadden we een interessant gesprek met het hoofd planologie van Oklahoma City, Arjen Jager, een Nederlander. Hij probeert door op z’n Nederlands te polderen in de komende vierde MAPS-ronde die samenhang te vergroten. Maar zijn mogelijkheden zijn beperkt, omdat de overheid geen enkele zeggenschap heeft over de grond in de stad. Alle grond is particulier bezit en iedere eigenaar kan op zijn grond doen wat hij belieft. En er zijn ook zaken waarvoor in zo’n MAPS geen plaats is. Bij een bezoek aan de First Christian Mission, die (gefinancierd door particuliere liefdadigheid – ze halen jaarlijks zo’n $ 10 miljoen op) in Oklahoma City zorgt voor de opvang van daklozen (in de stad zo’n 1500), hoorden we dat er in de staat naar schatting zo’n 40.000 dakloze tieners zijn. Ze houden zich vooral in de bossen op. Toen we vroegen wat de overheid daaraan deed, was het antwoord: ‘They look away.’ Ze merkten denk ik wel dat wij dat een vrij schokkend antwoord vonden. Het is de dagen daarna in de gesprekken die we voerden vrijwel steeds aan de orde gekomen, waarbij mij opviel dat veel van onze gesprekspartners de indruk wekten geen weet te hebben van het probleem. Ook weer interessant om vast te stellen.

Dinsdag 31 mart vond het Creativity World Forum plaats, conferentiedag dus, een oploop van zo’n 1200 mensen die kwamen luisteren naar verhalen over het verbinden van creativiteit en economie. Ik heb altijd wat gemengde gevoelens over dit soort bijeenkomsten. Te veel representanten van het om de wereld reizende circus van duur betaalde sprekers. Niet oninteressant, maar hun verhalen heb je vaak al eerder gehoord of gelezen. De toegevoegde waarde van ‘the mouth of the horse’ vind ik meestal betrekkelijk. Te veel sprekers ook die er eigenlijk alleen maar staan omdat ze sponsors van het feestje representeren. Lego en Walt Disney deze keer. Wat niet wil zeggen dat me niets is bijgebleven. In negatieve zin: een mevrouw Deborah Wince-Smith, directeur van een innovatieraad in Washington, de Council of Competitiveness, die een erg beleidsmatig verhaal hield waarbij ik niet wist of ik moest lachen of huilen toen ze het bestond om de winning van schalie-olie te presenteren als een verduurzaming van de energievoorziening. Terzijde: wij hoorden dat zich in het gebied in Oklahoma waar schalie-olie wordt gewonnen aardbevingen voordoen en dat de betrokken oliemaatschappijen proberen het verband te ontkennen; it does ring a bell, doesn’t it? Joseph Thompson, directeur van het Massachusetts Museum of Contemporary Art, liet zien hoe de vestiging van zijn Mass Moca in een vervallen industriecomplex in North Adams nieuwe impulsen aan de regio had gegeven – het soort verhalen dat ik graag hoor.

Ken Robinson in gesprek met Serge Ibaka.

En opvallend: Serge Ibaka, een basketballer bij OKC Thunder, die werd geïnterviewd door Ken Robinson, vertelde over zijn tocht vanuit Congo via Frankrijk naar het succes in Amerika en dat presenteerde als het bewijs dat je er wel komt als je maar weet wat je wil. Waarbij hij (en Robinson) gemakshalve over het hoofd zag dat in de vele bootjes die de oversteek van Afrika naar Europa proberen te maken en de overkant niet halen waarschijnlijk tal van mensen zitten die weten wat ze willen. Zijn verhaal deed overigens denken aan dat van ‘onze eigen’ Michaela DePrince, 20 jaar, afkomstig uit Sierra Leone en nu al prima ballerina bij het Nationaal Ballet – van haar leven tot nu toe werd onlangs een (Amerikaanse) verfilming aangekondigd. Meest in het oog springende rode lijn in de verhalen die dag: de aandacht voor onderwijs. Ook in Amerika woedt een onderwijsdebat. Net als hier wordt gehamerd op de noodzakelijke herwaardering van het leraarschap. Maar waar hier daarnaast sterk wordt gekoerst op de ontwikkeling van een systeem van testen en toetsen zoals dat in de Angelsaksische wereld bestaat, werd daar door de sprekers in Oklahoma juist hevig tegen geageerd. Zo’n systeem zou kinderen in een mal persen die geen ruimte biedt voor al hun talenten, voor creativiteit en brede ontwikkeling. We werden getrakteerd op tal van experimenten met onderwijsvormen die bij mij vooral associaties met vrije scholen opriepen.