Integraal cultuurbeleid

In december 2010 publiceerde het Centraal Plan Bureau zijn rapport Stad en land. Het is een heel prozaïsch rapport. Het gaat over grondprijzen. Maar het bevat voor de Brabantse culturele sector ten minste twee interessante conclusies:

  • Het aanbod van luxe winkels, een historische binnenstad, horeca en cultuur bepalen gezamenlijk 30% van de grondprijsverschillen in Nederland.
  • Naast de Randstad is de stedendriehoek Breda-Eindhoven-Den Bosch het economisch meest vitale deel van Nederland.

De laatste conclusie is in Brabant enthousiast omarmd. Hij sluit aan bij het zelfbeeld, dat nog eens geschraagd werd door de boodschap, ook in december, dat de regio Eindhoven tot de zeven meest kennisintensieve gebieden ter wereld behoort.

Met de eerste conclusie hadden Brabantse bestuurders meer moeite. Het is kennis die in het huidige klimaat niet welkom is. Het leidt tot ontkenningsgedrag.

CPB-directeur Coen Teulings legde het op 1 februari in het Provinciehuis uit: ‘Het cultuuraanbod blijkt meer impact te hebben op de grondprijzen dan economie. In de stad zit alles bij elkaar. Het draagvlak voor de ene voorziening is meteen ook het draagvlak voor de andere voorziening. Daarom is een hoge concentratie van bewoning belangrijk. En als het woonklimaat aantrekkelijk is, betekent dat weer een aantrekkingskracht voor bedrijven.’ Het Brabants Dagblad vatte het een dag later kernachtig samen: ‘Cultuur voor stad relevanter dan banen’.

De Tilburgse burgemeester Peter Noordanus, die net getekend had voor flinke bezuinigingen op de Tilburgse cultuurbegroting, reageerde sceptisch. Volgens hem zijn niet cultuur of woonklimaat van het grootste belang voor vestiging, maar het aanbod van goede arbeidskrachten en de juiste aansluiting tussen scholing en werk. Hij had dus niet goed geluisterd en creëert een schijntegenstelling: de goede arbeidskrachten waaraan hij in Tilburg zo’n behoefte heeft zullen zich daar, aldus het CPB-rapport, alleen willen vestigen als Tilburg een aantrekkelijk woonklimaat heeft, geschraagd door een levendige culturele infrastructuur.

De conclusies van het CPB komen niet uit de lucht vallen. Voor wie de afgelopen jaren zijn literatuur een beetje heeft bijgehouden hebben ze weinig verrassends.

In 2009 publiceerde de Amsterdamse sociaal geograaf Gerard Marlet zijn onderzoek De aantrekkelijke stad. Ik vat zijn belangrijkste conclusies samen. Kunst en cultuur spelen een prominente rol in de concurrentiepositie van steden. Steden die een groot en gevarieerd aanbod aan kunst en cultuur hebben zijn over het algemeen ook de populaire woonsteden. Die steden hebben de grootste aantrekkingskracht op hoger opgeleiden en mensen uit de hogere inkomensgroepen. En die steden doen het om die reden ook economisch beter. Want waar wonen steeds minder het werken volgt, volgt werken wel steeds vaker het wonen. Waar productieve werknemers graag willen wonen, groeien bedrijven en vestigen zich (nieuwe) bedrijven. Waar hoogopgeleide, creatieve mensen wonen neemt de werkgelegenheid over het algemeen toe. Het klinkt heel vanzelfsprekend.

Noordanus had het kunnen weten. Uitgerekend in zijn gemeente is het bedrijfsleven in het geweer gekomen tegen de bezuinigingen op cultuur. ‘Culturele activiteiten’, zo schreven ruim 25 grote Tilburgse ondernemingen op 11 maart 2010 in een open brief, ‘prikkelen de verbeelding en scheppen ongekende vergezichten die mensen kunnen inspireren en uitzicht bieden op de zin van het bestaan. Aandacht (blijven) besteden aan cultuur is dan ook van groot economisch belang. Op dit moment onderscheidt Tilburg zich in Brabant en daarbuiten door zijn cultuuraanbod. Dat geeft Tilburg in de samenleving van vandaag een concurrentievoordeel. Tilburg moet alle voordelen die het op dat gebied heeft, koesteren.’

En op 28 oktober 2010 had Gerrit-Jan Swinkels, voorzitter van SER-Brabant, op een bijeenkomst in Liempde, zijn mede-ondernemers voorgehouden: ‘Economisch staan we voor een grote opgave. We moeten de concurrentie aangaan met andere Europese regio’s. Brabant moet boven het maaiveld uitsteken en cultuur en sport [Swinkels is ook voorzitter van Indoor Brabant, vandaar] kunnen daarbij drijvende krachten zijn.’

Dus laten we de onaangename waarheid onder ogen zien: de culturele infrastructuur is een belangrijke factor voor het woonklimaat. Cultuur verdient daarom volop aandacht van politici die zich druk maken over maatschappelijk welzijn, vestigingsklimaat en economische ontwikkeling. En een stap verder: de wijze waarop de politiek momenteel vorm geeft aan cultuurbeleid alsof het zo geen linkse hobby dan toch weinig meer dan een speeltje voor de elite is doet geen recht aan de relevantie van cultuur voor economie en maatschappelijk bestel.

Dit leidt tot een pleidooi voor integraal cultuurbeleid. Dat komt voort uit dat besef dat cultuur behalve, natuurlijk, een eigen intrinsieke betekenis ook een relevante maatschappelijke functie heeft.

Wat is dat dan: integraal cultuurbeleid?

Ik onderscheidt drie dimensies:

  • cultuurbeleid komt in samenwerking tot stand: het bkkc streeft naar samenwerking tussen gemeenten, tussen gemeenten en provincie, tussen overheid en private sector, tussen makers en afnemers van cultuur;
  • grenzen tussen disciplines en sectoren, tussen traditionele en vernieuwende kunst, tussen ‘hoge’ en ‘lage’ kunst, tussen professionele en amateurkunst, tussen kunst en erfgoed, tussen kunst en economie spelen een ondergeschikte rol: de culturele sector moet wegen zoeken om die grenzen te overschrijden;
  • cultuurbeleid moet onderdeel zijn van het beleid ten aanzien van onderwijs, economie en ruimtelijke ordening. Cultuurbeleid moet ook een antwoord geven op maatschappelijke vraagstukken rond krimp, leefbaarheid, participatie en sociale cohesie. Cultuurbeleid is daarnaast onderdeel van het beleid ten aanzien van recreatie en toerisme, want cultuur is onderdeel van de vrijetijdseconomie.

Wat levert een dergelijk integraal cultuurbeleid op?

Uiteraard en misschien in de eerste plaats: mooie projecten die ons leven verrijken, ons blikveld verbreden, ons een identiteit en een ankerpunt geven, ons samen leven duurzaam maken.

Maar daarnaast en daardoor resulteert integraal cultuurbeleid in meer efficiency, in meer draagvlak en winst voor de samenleving in de vorm van meer maatschappelijke samenhang en een vitalere economie.

Over dat laatste, die winst voor de samenleving, heb ik hiervoor – hoop ik – genoeg gezegd.

Bij efficiency wil ik niet te lang stil staan. Het spreekt erg voor zich. Voorzieningen kunnen worden gedeeld. Podia kunnen zich specialiseren. Bedrijven kunnen zich zichtbaar maken in de samenleving. Netwerken leveren op voor iedereen die er in participeert.

Over het draagvlak wil ik het wel even hebben. Want daar ligt een probleem. En dat probleem heeft veel, zo niet alles te maken met wat we in dit land in de regel als cultuur beschouwen.

Op tv zag ik eind vorig jaar een reportage gemaakt in Volendam, over de verhoging van het btw-tarief op kaartjes voor de podiumkunsten. Vonden ze in Volendam helemaal terecht. Al die dure mensen die zo nodig naar de opera of een onbegrijpelijke toneelvoorstelling moeten, ze zoeken het maar uit, die kunnen best wat meer betalen. Tot de interviewer vertelde dat ‘dus’ ook de kaartjes voor de concerten van Jan Smit en Nick en Simon duurder zouden worden. Dat was de bedoeling niet! Dat kon niet! Dat mocht niet! Want Jan Smit – dat is geen kunst, dat is gewoon leuk.

Het sluit naadloos aan bij de uitkomsten van een onderzoek dat Motivaction vorig jaar in opdracht van de Stichting Cultuur-Ondernemen verrichtte naar de Betekenis van kunst en cultuur in het dagelijks leven. Nederlanders hanteren, zo blijkt uit dit onderzoek, een heel smalle definitie van kunst en cultuur. Een museum bezoeken? Ja, dat is kunst en cultuur zegt 83%. Naar de opera gaan? Kunst en cultuur volgens 68%. Maar bij het luisteren naar klassieke muziek twijfelen we al: nog maar 51% vindt dat behoren tot de wereld van kunst en cultuur. Het lezen van een boek, het luisteren naar popmuziek, bioscoopbezoek: nog maar 29, 27 en 26% beschouwt het als kunst en cultuur.

We zien hetzelfde in de discussie zoals die nu gevoerd wordt over de cultuurkaart. In het regeerakkoord is afgesproken dat die wordt afgeschaft: er wordt te weinig gebruik van gemaakt en voor zover die wordt gebruikt is dat – zo stelt men in VVD-kringen verwijtend vast – vooral om naar de bioscoop te gaan. Interessant vind ik dan hoe de stichting CJP in de verdediging schiet: niet door uit te leggen dat film cultuur is, maar door te laten zien dat slechts 4% van het tegoed op de cultuurkaart op gaat aan bioscoopbezoek.

De culturele sector heeft dus een imago-probleem dat ze zelf mee in stand houdt. Ruim een halfjaar geleden kwam ik kennismaken met het bkkc. Henk Willems, burgemeester van Heusden en  voorzitter van het bestuur van het bkkc, vroeg mij toen of ik de Tilburgse kermis als een vorm van cultuur beschouwde. Ik antwoordde zonder enige aarzeling: ‘ja, natuurlijk is dat cultuur.’ Maar vanzelfsprekend is dat blijkbaar niet. De btw op kermiskaartjes gaat níet omhoog.

Tegelijkertijd laat het Motivaction-onderzoek zien dat het draagvlak voor kunst en cultuur snel groeit wanneer de definitie van kunst en cultuur ruimer, integraler, wordt opgevat. Wanneer we duidelijk maken dat ook zang en rap, woonwijkversiering, straattheater, het bezoeken van een popconcert en strips kunst en cultuur zijn, realiseren Nederlanders zich ineens dat kunst en cultuur een belangrijk onderdeel is van hun leven – een onderdeel van hun identiteit, een uiting van wie of wat ze zijn.

Integraal cultuurbeleid dient dus vele doelen. Dat was voor het bkkc een reden om het IVA te vragen onderzoek te doen naar integraal gemeentelijk cultuurbeleid.

Die onderzoeksopdracht hebben we – voorbeeld van integraliteit – gegeven in samenwerking met onze Brabantse zusterinstellingen KunstBalie en Erfgoed Brabant.

De onderzoeksopdracht aan het IVA was om te inventariseren: wat gebeurt er in de kleine en middelgrote Brabantse gemeentes?

Wij hebben op grond van de inventarisatie heel voorzichtig onze eerste conclusies getrokken:

  • er wordt in de verschillende gemeentes wél integraal gewerkt, maar niet of nauwelijks op het gebied van kunst en cultuur en waar wél integraal wordt gewerkt (er is hier en daar sprake van vormen van samenwerking tussen gemeentes) wordt het niet zo benoemd;
  • gemeentes constateren dat ze ter zake te weinig capaciteit en kennis hebben;
  • er is een verschil, soms een groot verschil, tussen het papier van de beleidsnota en de praktijk van het beleid.