Impulsgelden/2

Impulsgelden/2

Gedeputeerde Staten heeft besloten het impulsgeldenprogramma volgend jaar voort te zetten, maar het beschikbare budget te halveren. Het is een besluit dat voor de sector, zwaar getroffen door de coronacrisis, als een koude douche komt. Het is een besluit dat vooral vragen oproept over de ambities van de provincie op de middellange termijn.

Donderdag 7 mei werd in het Provinciehuis in Den Bosch het nieuwe bestuursakkoord gepresenteerd. ‘Samen, slagvaardig en slim: Ons Brabant.’ Resultaat van onderhandelingen tussen VVD, Forum voor Democratie, CDA en Lokaal Brabant. Cultuur werd in het bestuursakkoord onderdeel van een portefeuille ‘Vrije tijd’. Wil van Pinxteren is als gedeputeerde verantwoordelijk voor die portefeuille. Hij heeft in het bestuursakkoord de opdracht gekregen de provinciale cultuurportefeuille af te bouwen naar ‘het nieuwe normaal’.

De komende vier jaar

Aan het begin van de afgelopen zomer constateerde ik al dat de adviezen zoals ze toen net waren uitgebracht door de Raad voor Cultuur en de Adviescommissie BrabantStad het succes bevestigden van het cultuurbeleid zoals het de afgelopen jaren in Brabant is gevoerd.[1] Dat was er nadrukkelijk op gericht het Brabantse cultuursysteem te versterken en te innoveren en het door gerichte investeringen te stimuleren tot een vernieuwde en vernieuwende positionering in het maatschappelijk krachtenveld. Het heeft geleid tot een cultuuraanbod dat in, maar ook buiten Brabant meer werd gezien en gewaardeerd. Het heeft Brabant zichtbaarder gemaakt op de culturele kaart van Nederland. Mijn voorspelling, in de inleiding van ons werkplan voor 2020, dat het zich in de komende cultuurplanperiode zou gaan vertalen in een veel grotere bijdrage van het Rijk aan de Brabantse culturele infrastructuur werd dan ook bewaarheid. ‘Met dank aan de regisserende rol die de provincie de afgelopen jaren heeft gespeeld. Met dank ook aan de samenwerking tussen de provincie en de vijf grote steden in de aanloop naar nieuw landelijk cultuurbeleid.’[2]

Wanneer we, aan de vooravond van die nieuwe cultuurplanperiode de balans opmaken en de culturele kaart van Brabant lezen, lijkt die balans alleen maar positief te zijn:[3]

  • Het aantal meerjarig gefinancierde Brabantse instellingen groeit, van 46 naar 73. Het bedrag dat voor die instellingen jaarlijks beschikbaar is, groeit, van € 26,5 miljoen naar € 34,6 miljoen. Dat is een plus van ruim 30%.
  • De groei is zichtbaar in Eindhoven, in Tilburg, in Breda en in Den Bosch, maar niet in alle steden in gelijke mate. In Breda en Tilburg is de groei spectaculairder dan in Eindhoven en Den Bosch (76% en 43% versus 22% en 21%).
  • De winst wordt met name gerealiseerd in de door het Rijk gefinancierde basisinfrastructuur (het aantal Brabantse instellingen in de BIS groeit van zes naar maar liefst dertien, het via de BIS beschikbare bedrag groeit met 39%) en in de meerjarig door het Fonds Podiumkunsten gefinancierde producerende instellingen (het aantal door het FPK gehonoreerde aanvragen groeit van 7 naar 17, het met de toekenningen gemoeide bedrag groeit met maar liefst 61%).
  • Door de provincie is voor de komende cultuurplanperiode voor meerjarige ondersteuning meer geld beschikbaar gesteld dan in de periode die nu wordt afgesloten: jaarlijks ruim € 7,3 miljoen tegen nu bijna € 7,1 miljoen. Bij de Brabantse gemeentes groeit het meerjarig budget van ruim € 5,1 naar zo’n € 6,4 miljoen. Werden in de achterliggende cultuurplanperiode 43 instellingen meerjarig gefinancierd door ten minste één van de BrabantStad-partners, de komende vier jaar zijn dat er 60.

Meerjarig is voor de Brabantse culturele infrastructuur de komende vier jaar dus meer geld beschikbaar dan ooit.

Het meerjarig perspectief

Zijn er dan geen problemen? Wie naar de langere termijn kijkt ziet er ten minste vier:

  • De plus bij het FPK is met name het resultaat van de reparatie die de minister verrichtte na Prinsjesdag. Aanvankelijk vielen ook bij het FPK veel Brabantse instellingen onder de zaaglijn: positief beoordeeld, maar niet positief genoeg om daadwerkelijk aanspraak op middelen te kunnen maken. Wie door zijn oogharen naar de adviezen bij het FPK kijkt, ontwaart een patroon: Brabantse instellingen schieten, relatief, tekort op het vlak van diversiteit en inclusie. Ze worden er nu, uiteindelijk, niet op afgerekend, maar het probleem is er niet minder om.
  • Op BrabantStad niveau is sprake van een groei van het beschikbare budget en van groei van het aantal gehonoreerde aanvragen. En ook kan worden vastgesteld dat het complexe proces van een geïntegreerde regeling en een gezamenlijke commissie zeker richting Raad voor Cultuur, dus in de toekenningen voor de BIS, goed heeft uitgepakt. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat onder aan de streep een forse zaaglijn-problematiek overblijft: te veel instellingen zijn door de BrabantStad-commissie positief beoordeeld zonder dat het resulteert in een toekenning van middelen. Bij de provincie zijn 22 instellingen onder de zaaglijn terecht gekomen, in Eindhoven en Den Bosch 2,[4] in Breda vijf. Alleen Tilburg is in staat geweest de zaaglijn te repareren. De conclusie kan geen andere zijn dan dat de provinciale en gemeentelijke budgetten geen gelijke tred hebben gehouden met sterke groei van de kwaliteit van het Brabantse cultuuraanbod.
  • Daar komt bij dat de met de advisering belaste BrabantStad-commissie zich onvoldoende bewust lijkt te zijn geweest van de problematiek die voortvloeide uit haar beoordelingen in de gegeven financiële context. Nergens in het advies reflecteert de adviescommissie op het eindresultaat. De commissie staat nergens stil bij de hoogte van de subsidieplafonds, hun onderlinge verhouding en de consequenties daarvan. Het verklaart hoe de commissie enerzijds kan klagen dat ze een aanvraag voor een debatcentrum heeft gemist, anderzijds de Brabantse literaire infrastructuur zo ongeveer om zeep helpt.[5] En wie door zijn oogharen kijkt naar het effect van een en ander kan de vraag die de commissie wél stelt (komt de regeling tegemoet aan nieuwe spelers?)[6] moeilijk anders dan met ‘neen’ beantwoorden.
  • Dat brengt me ten slotte bij mijn grootste zorg: de ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. De snelle ontwikkeling van de Brabantse culturele sector is allereerst de verdienste van de sector zelf, maar ze is zeker gestimuleerd door het provinciale subsidie-instrumentarium dat zich sinds een jaar of acht nadrukkelijk richt op structuurversterking en minder op financiering van afzonderlijke projecten. Daarbij speelden incidentele subsidies een cruciale rol. Via het cultuurfonds Brabant C was jaarlijks zo’n € 6,5 miljoen beschikbaar, via het impulsgeldenprogramma zo’n € 2,4 miljoen. De afgelopen twee jaar kwamen daar nog eens de middelen uit het zgn. arrangeursproject bij (jaarlijks € 500.000 voor vernieuwing en verbreding van de klassieke en hedendaagse muziek) en de proeftuingelden (jaarlijks € 400.000 voor internationalisering, deels van het Rijk, deels van de BrabantStad-partners). Het lijkt erop dat de Provincie in die middelen die zo’n wezenlijke rol hebben gespeeld bij de vernieuwing en versterking van de Brabantse sector, het mes gaat zetten, als onderdeel van een breed bezuinigingsprogramma. Het mandaat voor Brabant C loopt eind 2022 af en bij de coalitie lijkt weinig enthousiasme te bestaan voor een mandaatvernieuwing. De minister zet het proeftuinenbeleid niet door en dat lijkt voor de BrabantStad-partners reden om de ambities ten aanzien van internationalisering ‘bij te stellen’. Het heel succesvolle arrangeursproject wordt afgesloten. En afgelopen week besloot Gedeputeerde Staten om het budget voor het impulsgeldenprogramma te halveren.

Bezuinigingen

Het door de provincie ingezette bezuinigingsbeleid vloeit voort uit het coalitieakkoord waar VVD, CDA, Forum voor Democratie en Lokaal Brabant dit voorjaar afspraken over maakten. De bezuinigingen zijn naar het oordeel van deze partijen noodzakelijk als gevolg van het door de lage rentestand sterk teruggelopen rendement van de Essent-gelden. Over de vraag of bezuinigingen het juiste antwoord op die situatie zijn, is discussie mogelijk. Over de vraag hoe die bezuinigingen in de provinciale begroting verdeeld worden ook. Maar veel minder valt er te discussiëren over de vraag of het verstandig is de bezuinigingen door te zetten nu onze economie zo zwaar getroffen wordt door de gevolgen van de coronacrisis. De Algemene Rekenkamer constateerde al in 2019 dat de wijze waarop de overheid na de kredietcrisis van 2008 haar ‘huishoudboekje’[7] op orde had gebracht door tientallen miljarden te bezuinigen grote schade heeft veroorzaakt in de publieke sector en dat de gevolgen ervan – de aantasting van het onderwijspeil, de verslechterende infrastructuur en de crisis in onze rechtstatelijke instituties – een bedreiging vormen voor de Nederlandse concurrentiepositie, die het bezuinigingsbeleid nu juist geacht werd te schragen.[8] Wim Boonstra, econoom bij de Rabobank, aarzelde niet om het bezuinigingsbeleid van de jaren na 2008 te vergelijken met de ‘irrationele halsstarrigheid’, waarmee politici in de jaren 1930 vasthielden aan de gouden standaard.[9] En als gevolg van de coronacrisis wankelt nu ook in de politiek het dogma dat de beste staatsschuld geen staatsschuld is. Wie ziet hoe overheden overal ter wereld reageren op de coronacrisis, kan haast niet om de constatering heen dat zij zo niet de Modern Monetary Theory dan toch wel het neo-keynesianisme hebben omarmd. Het zou ook de Brabantse politiek tot bezinning moeten brengen. In ieder geval de bezuiniging op het impulsgeldenprogramma ligt dan, volgens mij, niet voor de hand.

Een afgelopen voorjaar door Berenschot in opdracht van de provincie uitgevoerd evaluerend onderzoek onderschrijft de sleutelrol die juist het impulsgeldenprogramma de afgelopen jaren heeft gespeeld bij het duurzaam versterken van het Brabantse cultuursysteem. Berenschot concludeert dat de impulsgelden bijdragen aan professionalisering van de bedrijfsvoering, zorgen voor een bredere financieringsmix met andere publieke en private bronnen en vaak structureel hogere baten, en faciliteren bij het leggen van verbindingen met andere domeinen, nieuwe markten en doelgroepen. Berenschot constateert dat in het veld de behoefte aan ondersteuning via het impulsgeldenprogramma dan ook groot is. Jaarlijks is het aangevraagde subsidiebedrag ruim drie keer zo hoog als het beschikbare budget. Het programma is een belangrijke stimulans gebleken voor de (door)ontwikkeling van Brabantse talenten, voor de vernieuwing van de sector en voor het versterken van het Brabantse aandeel in de landelijke infrastructuur. De Brabantse partijen die komend jaar nieuw toetreden tot de landelijke en provinciale BIS hebben, zonder uitzondering, de afgelopen jaren geprofiteerd van het impulsgeldenprogramma. Hetzelfde geldt voor vrijwel alle nieuw door het Fonds Podiumkunsten, het Fonds Cultuurparticipatie en het Mondriaanfonds gefinancierde partijen. Ook bij het cultuurfonds Brabant C kunnen in de praktijk vrijwel uitsluitend partijen terecht die eerst door het impulsgeldenprogramma op vlieghoogte zijn gebracht.[10]

Daar komt bij dat juist nu de sector voor grote uitdagingen staat. De culturele sector wordt bovengemiddeld hard geraakt door de coronacrisis. De beperkende maatregelen maken dat de sector zich voor langere tijd moet aanpassen. Het vraagt (onder meer) om aanbodvernieuwing, om het (onder)zoeken van nieuwe vormen van publieksbereik en om het (her)vinden van het evenwicht tussen kosten en inkomsten door het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen. Dergelijke transities vereisen investeringen die veelal niet uit de reguliere exploitatiebegroting te dekken zijn. Juist met zijn doelstelling de duurzame ontwikkeling van het Brabantse cultuursysteem te bevorderen leent het impulsgeldenprogramma zich goed voor het geven van eenmalige impulsen aan de sector ten behoeve van innovatie en hervorming.

In die context is de forse korting op het impulsgeldenprogramma moeilijk te begrijpen. Met het verdwijnen van een groot deel van de incidentele middelen voor kunst en cultuur wordt de ruimte voor vernieuwing van het Brabantse cultuursysteem sterk ingeperkt. Daarmee dreigt verstarring, met het risico dat we in 2024 moeten constateren dat het succes dat nu landelijk is geboekt eenmalig is geweest.


[1] https://www.kunstlocbrabant.nl/nieuws/brabander-wil-rijk-en-gevarieerd-cultureel-aanbod-6231

[2] https://www.linkedin.com/pulse/oogsttijd-chris-van-koppen/

[3] Raad voor Cultuur, Culturele basisinfrastructuur. Advies BIS 2021-2024. Den Haag, 2020; Adviescommissie BrabantStad Cultuur 2021-2024, Advies over de aanvragen in het kader van de subsidieregeling Professionele Kunsten 2021-2024. Mei 2020;

[4] Bijzonder: Eindhoven kent subsidie toe aan instellingen die door de BrabantStad-commissie negatief beoordeeld werden, maar laat een instelling vallen die een plek in de landelijke BasisInfraStructuur kreeg. Cf. persbericht Eindhoven Cultuur, https://www.cultuureindhoven.nl/nieuws/adviezen-cultuurraad-professionele-kunsten-in-samenhang-met-brabantstad-bekend/; Advies BrabantStad, blz. 72-73, 122-123; Raad voor Cultuur, Individuele Adviezen BIS 2021-2024. Advies BioArt Laboratories (2021-2024). Den Haag 2020; de meerjarige toekenningen door het Fonds Podiumkunsten: https://meerjarig.fondspodiumkunsten.nl/.

[5] Advies BrabantStad, blz. 8.

[6] Advies BrabantStad, blz. 7.

[7] Over de bedrieglijke vergelijking van overheidsfinanciën met een particulier huishoudboekje: www.ftm.nl/artikelen/waarom-het-huishoudboekje-van-de-overheid-niet-op-orde-hoeft-te-zijn.

[8] Algemene Rekenkamer, Staat van de Rijksverantwoording 2018. Den Haag, 15 mei 2019.

[9] economie.rabobank.com/publicaties/2019/juli/modern-monetary-theory/.

[10] Bastiaan Vinkenburg e.a., Impulsgelden: stimulans voor de cultuursector – eindrapport, juli 2020.