‘Events’

Het was een bestuurlijk roerig jaar, drukker dan ik in lange tijd heb meegemaakt.
Roerig vanwege leuke zaken. Aan het begin van het schooljaar vierden we het 25-jarig rectoraat van uw rector, Elly van Eerden. Aan het begin van het kalenderjaar ontvingen we de onderwijsinspectie en kregen we van een als streng bekend staande inspecteur het informele predicaat ‘briljant’.
Roerig vanwege verdrietige zaken. Ik denk dan in de eerste plaats aan het overlijden van Guus Landheer, jarenlang penningmeester van ons bestuur en voor u vooral zichtbaar als de chef die verantwoordelijk was voor ons jaarlijkse kerstdiner. Maar ik weet dat het ook voor verschillende van u een moeilijk jaar is geweest.
Roerig vanwege onvermijdelijke zaken. De aankondiging door Elly van Eerden van haar vertrek hoort daarbij.
Roerig ook en misschien wel vooral vanwege ‘events’. Over die ‘events’ wil ik het vandaag met u hebben, over OVO en over AZ, en, uiteraard, over het Maastrichtse diploma-debacle.

OVO
Om te beginnen wat ik maar even ‘de kwestie OVO’ noem. U weet, Openbaar Voortgezet Onderwijs Zaanstreek (OVO) verraste ons dit jaar met de aankondiging om met ingang van het schooljaar 2019-2020 het Saenredam College om te vormen tot een mavo/havo-school. Wij verbaasden ons. Wellicht kan de inrichting van een mavo/havo-school een interessante toevoeging zijn aan het Zaanse onderwijsaanbod, maar bij de timing en de locatie zetten wij, kijkend naar de demografische prognoses voor de regio, vraagtekens. Maar we verbaasden ons vooral over de route die het bestuur van OVO meende te moeten volgen om de beoogde omvorming te realiseren: de nog maar een paar maanden eerder in het RPO vastgelegde en door het bestuur van OVO ondertekende afspraken negerend, het overleg met de andere schoolbestuurders beperkend tot het doen van mededelingen en gebruik makend van een juridische sluiproute die omstreden is en door de VO-raad als ongepast wordt beschouwd. Verbazing ook omdat ons inmiddels is gebleken dat de door OVO aangevoerde onderwijs-inhoudelijke overwegingen voor de omvorming weinig meer zijn dan een rookgordijn waarachter bedrijfsmatige problemen moeten worden opgelost.
U weet: het college van B&W heeft positief geoordeeld over de plannen van het bestuur van OVO. Wij stellen wel vast dat in de brief waarin het college de gemeenteraad informeert over dat oordeel de eigenlijke beweegredenen van OVO niet aan de orde komen, dat de bezwaren die wij en het bestuur van ZAAM tegen de plannen en de gang van zaken hebben ingebracht slechts zeer gedeeltelijk worden weergegeven en gewogen, dat wel wordt geconstateerd dat de plannen van OVO hebben geleid tot een verstoring van de bestuurlijke verhoudingen, maar dat voorbij wordt gegaan aan de oorzaken daarvan.
Het probleem zoals wij het zien is dat het bestuur van OVO zich met zijn optreden een onbetrouwbare gesprekspartner heeft getoond. Door het negeren van het RPO heeft het bestuur van OVO de waarde van alle tussen de scholen gemaakte afspraken ter discussie gesteld – ons bestuur ziet niet goed hoe wij en ZAAM zich gebonden kunnen voelen aan ondertekende afspraken waar ze door OVO zo expliciet ter zijde zijn geschoven. Met het verdoezelen van de werkelijke beweegredenen voor de omvorming van het Saenredam College heeft het bestuur van OVO daarenboven de basis van vertrouwen waarop de jarenlange goede samenwerking tussen de schoolorganisaties in de Zaanstreek was gebaseerd aangetast. Met het positieve advies inzake de omvorming heeft B&W de handelswijze van het bestuur van OVO feitelijk gesauveerd. Het college heeft daarmee naar ons oordeel een bijzondere verantwoordelijkheid op zich genomen. ‘De spanning in de bestuurlijke verhoudingen’, zo stelt het college in de raadsinformatiebrief vast, ‘verdient beslist aandacht.’ Wij denken dat er meer nodig is dan ‘aandacht’ om het geschonden vertrouwen te herstellen. We hebben de nieuwe wethouder, Gerard Ram, inmiddels laten weten daarover met hem in gesprek te willen. Wij zoeken zekerheid dat OVO zich in de toekomst wél aan gemaakte afspraken houdt.

AZ
Dan de kwestie AZ. Ook hier kent u de geschiedenis. De gemeente Zaanstad is er in 2015 in geslaagd de jeugdopleiding van AZ naar de Zaanstreek te halen. De gemeente heeft daarbij over het onderwijsaanbod buiten de scholen om beloften gedaan die haar zeggenschap verre te buiten gaan. De scholen zijn de gemeente tegemoet gekomen en hebben, in overleg met de Onderwijsinspectie, met gemeente en AZ een convenant gesloten om de jeugdige AZ-spelers op een zo optimaal mogelijke wijze te bedienen. De werkelijkheid zoals die zich de afgelopen twee jaar ontwikkelde week in twee opzichten sterk af van de vooronderstellingen die ten grondslag lagen aan het convenant. Anders dan verwacht verdeelden de AZ-leerlingen zich niet gelijkmatig over de verschillende Zaanse scholen. Een onevenredig deel koos voor het St. Michaël College. Je kunt het zien als een compliment. Je kunt ook zeggen dat we naïef zijn geweest, omdat we hadden kunnen verwachten dat leerlingen die gewend zijn overal naar toe te worden gereden zouden kiezen voor de school die het dichtst bij hun trainingcomplex ligt. Maar niet alleen kiest een onevenredig aantal AZ-leerlingen voor onze school, ze doen ook een onevenredig beroep op begeleiding. Om de AZ-leerlingen op een voor ons acceptabel niveau de school uit te helpen moet u meer inspanningen verrichten dan voor ‘gewone’ leerlingen. We hebben de additionele kosten die wij maken voor de begeleiding van de AZ-leerlingen becijferd: € 65.000 per jaar. En we hebben geconcludeerd dat het niet acceptabel is dat duurzaam te doen. De schoolleiding heeft getracht daar het afgelopen jaar met AZ over te praten. We hebben moeten constateren dat de leiding van AZ tot zo’n gesprek niet bereid is. Zij verwijst naar de gemeente, verwijst naar de ouders, vraagt ons het onderwijsconcept voor de hele school aan te passen. Je kunt de houding van AZ zakelijk noemen. Ik ben eerder geneigd het als onmaatschappelijk te kwalificeren. Het is, zeg ik er dan bij, een onmaatschappelijkheid die, helaas, de sportwereld te vaak vertoont en die zich manifesteert in salarissen die we van niemand anders accepteren, in de permanente neiging organisatiekosten af te wentelen op de samenleving, in wereldkampioenschappen waarmee dubieuze regimes worden gelegitimeerd, en in een grote vergevingsgezindheid jegens corrupte bestuurders. We staan op het punt het convenant op te zeggen met ingang van het schooljaar 2019-2020 en wachten af wat de gevolgen daarvan zullen zijn.

Waar ik het niet over wil hebben
Ik ga het niet met u hebben over uw arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden. Ik laat het bij een korte update van de carrière van mijn voormalige accounthouder bij de provincie Noord-Brabant. Ik vertelde u vorig jaar dat zij, bouwkundig ingenieur, haar koers had verlegd, naar de pabo was gegaan en daar in korte tijd, naast haar baan bij de Provincie, haar diploma had gehaald. Sinds 1 januari staat ze voor de klas in Heeswijk-Dinther, op basisschool De Bolderik. Een paar weken geleden spraken we elkaar weer, bij een biertje op een terras in Den Bosch. Nog geen dag spijt had ze gehad. Het salaris? Ja, dat mocht wel wat meer zijn. En de werkdruk? Ja, ze zat soms ’s avonds om elf uur nog zaken af te ronden of voor te bereiden. Maar ach, dat was toen ze bij de Provincie werkte niet anders.
Ik ga het ook niet hebben over het lerarenregister. Sander Dekker is weg en veel van zijn bedenksels zijn met hem vertrokken. Hij is gepromoveerd tot minister op Justitie en leeft zich nu uit op ons justitiële systeem. U begrijpt: ik volg hem daar met belangstelling.
Wat nog niet weg is, is curriculum.nu, de poging handen en voeten te geven aan het ook door Sander Dekker geïnitieerde Onderwijs2032. Ik heb u twee jaar geleden verteld dat ik teleurgesteld was over het rapport van Paul Schnabel en de zijnen. De belangrijkste aanbevelingen waren weinig verrassend: minder theorie, meer praktijk; weg met de klassieke vakken; meer nadruk op digitale vaardigheden; maak burgerschap belangrijk. Maar over wat het praktisch zou moeten betekenen bleef het rapport vaag. Curriculum.nu moet die vaagheid oplossen. Ik ben nog steeds niet gerust op de uitkomst en zie inmiddels het verzet groeien. Een aantal vakgroepen liet zelfs al weten ‘niet of nauwelijks vertrouwen te hebben in een goede uitkomst van het proces.’ Ik begrijp veel van die zorgen, maar schrik wel van de vanzelfsprekendheid waarmee een Bart Vermeulen, leraar aardrijkskunde, voor de SP lid van Provinciale Staten in Zuid-Holland en bestuurder van een koepel van vakverenigingen, het Platform VVVO, beweert dat afzonderlijke vakken ‘wel herkenbaar’ moeten blijven.[1] Ik stelde hier al eerder de vraag: weten wij nog wel waarom we welke vakken geven? Arnon Grunberg schreef er een van zijn laatste voetnoten over: ‘Wat ik op school heb geleerd is niet dat beetje wiskunde en oud-Grieks dat ik me nog herinner, maar sociale intelligentie – hoe je staande te houden in een competitieve en soms genadeloze omgeving – en plezier in het ondermijnen van de veelal vermeende autoriteit. Kortom: is kennisoverdracht wel de primaire functie van scholen?’[2] Daar mag u de komende weken over nadenken.

Het Maastrichtse diploma-debacle
Het is onvermijdelijk dat ik het met u ga hebben over ‘Maastricht’, waar de eindexamens van 354 leerlingen van het VMBO ongeldig zijn verklaard. In een mail aan uw rector kwalificeerde ik het als een ongekende vorm van collectief falen. Er loopt inmiddels een reeks van onderzoeken. Als uitkomst zullen ongetwijfeld daders worden aangewezen en gaan er koppen rollen.
Maar veel interessanter en belangrijker dan dat vind ik wat in de slip stream op tafel is gekomen: de vraag of wat in Maastricht is gebeurd – docenten die hun leerlingen, en hun school, een handje helpen door resultaten te fantaseren of op te pimpen – uniek is en de vraag of ‘Maastricht’ een uitvloeisel is van de manier waarop we ons onderwijs hebben georganiseerd en dus tot aanpassing van die organisatie moet leiden.

‘Maastricht’ en de ongelijkheid in het onderwijs
U weet: de VO-raad heeft aangekondigd een onafhankelijke commissie in te stellen die gaat onderzoeken of Maastricht incident of symptoom is. Maar inmiddels is wel duidelijk dat het op meer plekken schort aan de kwaliteitsborging van de schoolexaminering en dat niet overal het programma van toetsing en afsluiting al te serieus wordt genomen. Er zijn al te veel docenten, oud-docenten in de regel, uit de kast gekomen met verhalen over hoe zij hun leerlingen ‘een kontje’ gaven. Ik heb ook al te veel gehoord over schoolleiders die onder elkaar relativerend spreken over de betekenis van het pta – dat op ons SMC door een commissie van toezicht wordt gehandhaafd als een soort van examenwetboek.
Wie mij hier vaker heeft gehoord weet dat het mij niet verbaast, weet ook dat het mij zorgen baart. Vorig jaar citeerde ik de Onderwijsraad die een pleidooi hield voor het eindexamen als ijkpunt: ‘Vergaande autonomie van scholen in Nederland is mogelijk, omdat die gepaard gaat met vormen van centrale en/of gestandaardiseerde eindtoetsing. […] Het loslaten van een uniform diploma per onderwijssoort kan de kans verhogen op willekeur en op selectie op oneigenlijke gronden. Dat heeft negatieve gevolgen voor de toegankelijkheid tot vervolgopleidingen en de arbeidsmarkt voor bepaalde leerlingen en studenten.’[3]
Ik wil het hier en nu nog wel iets scherper stellen. We leven in een samenleving waarin de verschillen steeds groter worden en de sociale mobiliteit afneemt. Er is de afgelopen jaren veel over gepubliceerd. Twee jaar geleden verwees ik hier naar de studies van Joseph Stiglitz, Thomas Piketty, Robert Putnam en Robert Gordon. Zij schetsen een groeiende kloof tussen arm en rijk, tussen hoog- en laagopgeleid, stellen daarvoor het neoliberale kapitalistische systeem verantwoordelijk en laten zien hoe die groeiende kloof leidt tot vertraging van de economische groei en onze democratische verworvenheden aantast.[4] Recente rapporten, van McKinsey,[5] van de Rabobank,[6] van de OESO bevestigen het beeld. Volgens een OESO-rapport dat afgelopen maand verscheen komt in de lidstaten 24% van het inkomen en 52% van de vermogens terecht bij de 10% rijkste huishoudens. In Nederland zijn de verhoudingen nog schever: hier hebben de 10% rijkste huishoudens 25% van de inkomens en 68% van de vermogens. Alleen in de Verenigde Staten is de vermogensongelijkheid nog groter.[7] De Utrechtse historicus Bas van Bavel zette de ontwikkelingen in een heel brede context. In een in 2016 gepubliceerde vergelijkende studie liet hij zien hoe markteconomieën ongelijkheid stimuleren en hoe de zich daarbinnen vormende nieuwe elites de markt kapen: de zich concentrerende rijkdom vertaalt zich in politieke macht die wordt gebruikt om de regels van markt te herschrijven. Het gaat, zo laat Van Bavel zien, ten koste van de bredere welvaart en leidt uiteindelijk tot stagnatie.[8]
En wie het wil zien herkent het. Twee jaar geleden constateerde ik ook al: veel recente beleidsmaatregelen hebben het onderwijs tot een factor gemaakt die de ongelijkheid bestendigt. Het werd toen ook door de Onderwijsinspectie gesignaleerd: kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen hogere schooladviezen, gaan naar betere scholen en halen uiteindelijk een hoger diploma dan even intelligente kinderen van laagopgeleiden.[9] De Onderwijsinspectie kwam er dit jaar op terug. Opnieuw constateert ze: ‘Scholen geven aan dat zij een schooladvies niet alleen op toetsen en capaciteitstesten baseren […]. Ook geven leraren aan het moeilijk te vinden om bij niet-eenduidige toetsresultaten een passend basisschooladvies te bepalen. Beide redenen verklaren mogelijk waarom leerlingen met laagopgeleide ouders vaker adviezen voor een lager dan voor een hoger onderwijsniveau krijgen, dan op grond van hun eindtoetsing mag worden verwacht.’ Bovendien: ‘Ongeveer de helft van de basisscholen geeft aan regelmatig druk te ervaren van ouders om een schooladvies voor een hoger niveau te geven […] De invloed of druk die ouders uitoefenen is extra aan de orde wanneer sprake is van heroverweging van het advies. Volgens scholen neemt de druk van met name hoogopgeleide ouders dan toe.’[10] Docenten die, ongetwijfeld met de beste bedoelingen, hun leerlingen ‘helpen’ zoals ze dat in Maastricht, in Rijswijk en naar valt te vrezen in nog veel meer plaatsen hebben gedaan, dragen door hun onvermijdelijke subjectiviteit ongewild bij aan die kansenongelijkheid. Niet voor niets pleitte de OESO, ook al in 2016, voor ‘objectieve eindtoetsen’.[11] De CITO-toetst en het eindexamen zijn fundamenteel democratische instrumenten en verdienen het alleen daarom al gekoesterd te worden. Ik ben nooit enthousiast geweest over voorstellen om daarmee te experimenteren, zag in pleidooien van de VO-raad voor een maatwerkdiploma en voor versterking van de rol van het schoolexamen ten opzichte van het centraal schriftelijk vooral een uitnodiging aan vervolgopleidingen om eigen toelatingstoetsen en –procedures te introduceren. Als ‘Maastricht’ tot gevolg heeft dat we hier voorlopig niets meer horen heeft het wat mij betreft toch ook wat goeds gebracht.

‘Maastricht’ en de financiering van ons onderwijs
Zo mogelijk nog interessanter vind ik het verband dat in Den Haag werd gelegd tussen het Maastrichtse diploma-debacle en de schaalvergroting in het onderwijs. ‘Zijn schoolbesturen te groot geworden?’ zo vatte NRC Handelsblad de Haagse discussie samen.[12] Paul van Meenen, onderwijswoordvoerder voor D66 en zelf ooit wiskundedocent, zag zijn groeiende twijfels bevestigd en diende op 25 juni een motie in waarin hij de minister vraagt ‘een onderzoek te doen naar het direct bekostigen van scholen in het basis- en voortgezet onderwijs, waarbij wordt betrokken hoe dit kan bijdragen aan een versterkte positie van schoolleiders en een betere verantwoording over het onderwijsgeld.’[13] Van Meenen wil de macht van de koepels beperken en zeggenschap over inzet van middelen leggen bij de directies van de onder die koepels ressorterende individuele scholen. Uiteindelijk worden de koepels dan servicebureaus die, wellicht zelfs in concurrentie, alleen die diensten leveren waar de aangesloten scholen behoefte aan hebben. Wie zich herinnert wat ik daar vorig jaar over zei zal zich realiseren dat het mij als muziek in de oren klinkt. ‘Zou het dan toch nog goed komen?’ mailde ik aan uw rector naar aanleiding van de berichten.
De discussie over de motie wordt waarschijnlijk gevoerd zodra in de Tweede Kamer het laatste rapport van de Onderwijsraad aan de orde komt, over onderwijsfinanciering.[14] Tot ontsteltenis van spraakmakende opiniemakers op onderwijsgebied als Ton van Haperen en Aleid Truijens[15] houdt de Onderwijsraad vast aan de door hen verfoeide lump sum-systematiek. Zij pleiten voor een terugkeer naar een systeem waarbij de overheid de aan scholen beschikbare middelen oormerkt, of ten minste naar een systeem waarbij een schot wordt gezet tussen de personeelskosten en de overige kosten. Truijens verwijst dan naar een onderzoek van de Algemene Onderwijs Bond dat laat zien dat 71% van de scholen niet voldoet aan de norm dat 85% van de middelen aan personeel moet worden besteed. Ik begrijp het pleidooi, in het licht van de uitwassen die we de laatste jaren langs hebben zien komen, maar huiver bij zo’n norm. Die gaat, zo vrees ik, functioneren als een harde blokkade voor vernieuwing die noodzakelijk en onvermijdelijk is. Belangrijke oorzaak van de problemen in Maastricht is het gebrek aan gekwalificeerde leerkrachten. Het is een probleem dat wij, hier op onze school, nog niet kennen, maar wij zijn een uitzondering. U kon deze week in de krant lezen over de tekorten het komend schooljaar in het basisonderwijs. Hier in de Zaanstreek is een school die voor drie van de zeven groepen nog geen docent heeft gevonden. Het onderwijs is geneigd te denken dat dit probleem kan worden opgelost via arbeidsvoorwaardelijke maatregelen. Langs die route kan ongetwijfeld iets bereikt worden. Maar meer dan pleisters plakken is het niet. Op de arbeidsmarkt speelt een structureel probleem. Er is niet alleen een tekort aan leerkrachten. Er zijn ook tekorten in de zorg, in de ict, in de elektrotechniek, in de logistiek, in de landbouw enz. Het zijn problemen die we niet oplossen door landjepik tussen sectoren. De demografische werkelijkheid is dat op dit moment jaarlijks meer mensen de arbeidsmarkt verlaten dan er nieuw toetreden. En dat blijft de komende tien, vijftien jaar zo. We zullen de schaarser wordende arbeidskracht dus anders moeten gaan inzetten. Ook in het onderwijs. Wanneer we onverkort vasthouden aan de huidige manier van lesgeven, één docent voor dertig leerlingen, dertig uur per week, is het onvermijdelijk dat we óf leerlingen naar huis gaan sturen óf op grote schaal gaan werken met ongekwalificeerd personeel. Het betekent dat we moeten gaan experimenteren. En experimenten verhouden zich slecht tot centrale sturing en algemene normen. Experimenten vragen om maatwerk en improvisatie. De lump sum-systematiek biedt ruimte voor dat maatwerk. Dan kun je besluiten je school anders in te richten zodat docenten soms uitleg kunnen geven niet aan 30 maar aan 100 of 200 leerlingen. Dan kun je ruimtes creëren waar leerlingen zelfstandig kunnen werken met vormen van extensief toezicht en begeleiding. Dan kun je onderzoeken hoe je die begeleiding qua niveau en dus qua kosten kunt diversifiëren. Wat niet wil zeggen dat er niets verbeterd kan worden aan de wijze waarop scholen financieel verantwoording afleggen. Maar dat is een andere kwestie, van toezicht en kaderstelling. En ik heb er niets tegen als de inspectie ook op dit vlak meer bevoegdheden krijgt.

U hebt in ieder geval één zekerheid: voor uw baan hoeft u niet te vrezen. U kunt altijd nog in Maastricht terecht. Met die zekerheid stuur ik u graag op vakantie. Geniet ervan.

But now: something completely different
Op 14 juni was ik ook hier. Elly van Eerden kondigde toen aan dat zij op 1 september 2019 wil terugtreden als rector-bestuurder van het St. Michaël College. Ik heb u toen verteld dat die mededeling voor het toezichthoudend bestuur niet als een donderslag bij heldere hemel kwam. Als bestuursvoorzitter heb ik de afgelopen jaren regelmatig met uw rector gepraat over het onvermijdelijk naderende vertrek. Ook binnen het toezichthoudend bestuur waren vertrek en opvolging dus al geruime tijd onderwerp van aandacht. Ruim een jaar geleden is het toezichthoudend bestuur vertrouwelijk in gesprek gegaan met de voorzitter en de secretaris van de medezeggenschapsraad. In de loop van dit jaar zijn die gesprekken geïntensiveerd en is een commissie gevormd bestaande uit twee leden van de medezeggenschapsraad en drie leden van het toezichthoudend bestuur. Het toezichthoudend bestuur heeft gesprekken gevoerd, met de individuele schoolleiders en met het volledige managementteam. Om wensen, kansen en mogelijkheden te inventariseren. En om, uiteindelijk, te komen tot een gedragen profiel, een gedragen vacaturetekst en een gedragen procedure. We hebben daarbij geconstateerd dat er een sterke, breed gedragen voorkeur was voor een procedure waarbij in eerste instantie alleen interne kandidaten in de gelegenheid zouden worden gesteld om te solliciteren. De specifieke aard van de school, de (gegeven het succes van de school begrijpelijke) behoefte aan continuïteit en het streven naar zorgvuldigheid waren daarbij leidend. Het toezichthoudend bestuur heeft zich bij die voorkeur aangesloten.
Aansluitend op de mededeling van Elly van Eerden is de vacature opengesteld. Kandidaten konden solliciteren tot 6 juli. Bij het sluiten van de sollicitatietermijn was er één kandidaat. Hadden we er ook maar één verwacht? Ik heb begrepen dat daar in de wandelgangen over is gespeculeerd. Toch maar even voor de duidelijkheid: die ene kandidaat hadden we verwacht, maar we waren allerminst verbaasd geweest als zich ook andere kandidaten hadden gemeld. We hebben 6 juli geconstateerd dat dat niet is gebeurd. Met die ene kandidaat is de commissie dus in gesprek gegaan, in eerste instantie voltallig, daarna nog een keer in klein comité. Dat waren goede gesprekken. De commissie constateerde dat de kandidaat zich zelfbewust en overtuigend positioneerde, open communiceerde en blijk gaf van een visie op meta-niveau. Op grond daarvan heeft de commissie een voordracht gedaan aan het toezichthoudend bestuur, heeft het toezichthoudend bestuur aan de medezeggenschapsraad een voornemen tot benoeming kenbaar gemaakt en heeft de medezeggenschapsraad inmiddels met dat voornemen ingestemd, unaniem en vol vertrouwen.
Ik kan u dus melden dat de Onderwijsstichting St. Michaël, het toezichthoudend bestuur van het St. Michaël College, besloten heeft Miriam Ruigrok per 1 september 2019 te benoemen tot rector van het St. Michaël College.

U kunt dus extra gerust met vakantie.

Toespraak gehouden bij de afsluiting van het schooljaar 2017-2018 op de Algemene Personeels Vergadering van het St. Michaël College in Zaandam, 20 juli 2018

[1] NRC Handelsblad 11 juli 2018
[2] de Volkskrant 18 april 2018
[3] Onderwijsraad, De leerling Centraal? Een verkenning naar het centraal stellen van de leerling vanuit het perspectief van het publieke belang van onderwijs, Den Haag 2017, blz. 41
[4] Joseph E. Stiglitz, The Price of Inequality. How Today’s Divided Society Endangers our Future, New York en Londen 2012; Thomas Piketty, Le capital au XXIe siècle, Parijs 2013; Robert D. Putnam, Our Kids. The American Dream in Crisis, New York 2015; Robert J. Gordon, The Rise and Fall of American Growth. The U.S. Standard of Living since the Civil War, Princeton / Oxford 2016.
[5] Richard Dobbs e.a., Poorer than their Parents? Flat or Falling Incomes in Advanced Societies, Brussel / San Francisco / Sjanghai 2016. Zie voor de Nederlandse situatie ook rapporten van Sociaal Cultureel Planbureau en Centraal Planbureau resp. de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid: Marloes de Graaf-Zijl e.a., De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025, Den Haag 2015; Monique Kremer e.a. (red.), Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam 2014.
[6] Martijn Badir, ‘Besteedbaar inkomen van huishoudens staat al bijna veertig jaar vrijwel stil’, https://economie.rabobank.com/publicaties/2018/februari/besteedbaar-inkomen-huishoudens-nederland-staat-vrijwel-stil/
[7] OESO, A Broken Social Elevator? How to Promote Social Mobility, Parijs 2018.
[8] Bas van Bavel, The Invisible Hand?: How Market Economies have Emerged and Declined Since AD 500, Oxford 2016.
[9] Inspectie van het Onderwijs, De Staat van het Onderwijs. Onderwijsverslag 2014/2015, Utrecht 2016.
[10] Inspectie van het Onderwijs, De Staat van het Onderwijs 2016/2017. Hoofdlijnen, Utrecht 2018.
[11] OESO, Review of National Policies for Education: Netherlands 2016. Foundations for the future, Parijs 2016.
[12] NRC Handelsblad 30 juni 2018
[13] Tweede Kamer, Vergaderjaar 2017-2018, 34 950 VIII, nr. 10
[14] Onderwijsraad, Advies inzicht en verantwoording van onderwijsgelden. Naar een meer eenvoudige bekostiging en betere verantwoording van publieke middelen, Den Haag juli 2018.
[15] de Volkskrant 7 juli 2018