Een nieuwe toekomst

Zaterdag 9 november vierde schrijver en columnist Bert Wagendorp in de Volkskrant de komst van de Tour de France naar Utrecht, in 2015: ‘we moeten weer leren dat niet álles hoeft te renderen, dat dingen ook gewoon mooi, leuk, zinnenprikkelend, vermakelijk, inspirerend of spannend mogen zijn. Je moet het verlangen zo nu en dan voeden, door iets te organiseren dat het verlangen waard is.’ Om af te sluiten met de verzuchting: ‘God beware ons voor een wereld waarin alles zinvol en nuttig is.’
De dagen daarvoor, op 7 en 8 november, congresseerde in Amsterdam, onder auspiciën van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, de beweging Science in Transition. Ook daar: kritiek op het rendementsdenken waarmee de politiek het belang van wetenschap toetst. Wetenschap, aldus de initiatiefnemers, heeft een veel bredere functie dan het leveren van een in patenten en exportproducten meetbaar rendement. Wetenschap dient een maatschappelijk belang: het voeden van de nieuwsgierigheid van de bevolking naar de wereld waarin zij leeft. Constant.
Nog een paar dagen eerder, op 4 november, publiceerde de Onderwijsraad haar vierjaarlijkse rapport over ‘de stand van educatief Nederland’: Een smalle kijk op onderwijskwaliteit. In het rapport kritiseert de raad de eenzijdige aandacht voor meetbare doelen, in het bijzonder het verhogen van taal- en rekenprestaties. Ze constateert dat de samenleving ook behoefte heeft aan creativiteit, probleemoplossend vermogen, samenwerking, culturele en morele sensitiviteit, zorgzaamheid en vakmanschap. Ze vraagt meer aandacht voor het brede vakkenaanbod (geschiedenis, economie, filosofie, cultuureducatie), voor burgerschapsvorming en voor vakoverstijgende ‘advanced skills’ (problemen oplossen, samenwerken, communiceren, ict-geletterdheid).
Dezelfde dag publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid haar rapport Naar een lerende economie. In dit rapport wordt uitgebreid stil gestaan bij de manier waarop wij onze welvaart berekenen. Hans Clevers, de president van de KNAW, had daar eerder kritische kanttekeningen bij geplaatst. In een interview met BNR op 3 maart beklaagde hij zich erover dat het CPB in zijn ramingen uitgaven ten behoeve van wetenschap niet als investeringen meeneemt, sterker: dat in de modellen van het CPB investeren in wetenschap negatieve effecten heeft. De rekenmeesters van het CPB verdedigden zich: ja, uitgaven voor wetenschap – en voor cultuur en natuur – hebben op de lange duur positieve economische effecten, maar die effecten zijn zo moeilijk te kwantificeren dat het CPB ze niet kan meenemen in zijn rekenmodellen. Dat leidt er weer toe dat uitgaven voor wetenschap, cultuur en natuur, anders dan die voor bijvoorbeeld gevangenissen of de bestrijding van het voetbalgeweld, in die rekenmodellen negatieve effecten hebben (Karen van der Wiel, Bas ter Weel en Casper van Ewijk, ‘Klopt, wetenschap levert niets op in model CPB’, NRC Handelsblad, 3 juni 2013). Voor de WRR is het reden kritische kanttekeningen te plaatsen bij de rol van het CPB en te pleiten voor ‘een intelligence van verdienvermogen’: ‘door minder te focussen op het BBP als maatstaf; door investeringen zichtbaar te maken in de Rijksbegroting; en door de lange termijn een prominentere plek te geven in modellen voor beleidsanalyse.’

Er lijkt, heel voorzichtig, sprake van een verandering in het klimaat. Dat zien we ook in de manier waarop het gesprek over kunst en cultuur wordt gevoerd. In Den Haag waait een nieuwe wind. Cultuur beweegt, de brief die Jet Bussemaker voor de zomervakantie aan de Tweede Kamer stuurde over haar visie op cultuur, laat geen misverstand bestaan over de waarde die deze minister hecht aan kunst en cultuur. Tegelijkertijd: de klimaatverandering impliceert geen radicale beleidswijziging. Bas Heijne was er 9 november in zijn wekelijkse column in NRC Handelsblad heel kritisch over. Hij verwijst naar de Amerikaan Matt Steinglass, correspondent voor de Financial Times in Nederland, die op 5 november op Twitter Bussemaker kwalificeerde als ‘NL’s new culture-policy genius. If you’re commercially viable, you get more subsidies. If you need subsidies, you don’t get them.’ Om verder te gaan met: ‘Heel de nota van Bussemaker ademt de geest van het artistiek kapitalisme. […] Kunst moet […] vooral bedrijfsmatig worden behandeld. Het idee van de kunst als een maatschappelijk laboratorium, als middel om menselijke ervaringen te verkennen die niet meteen in harde cijfers te vertalen zijn, qua ondernemerschap of publieksbereik, kan in de versnipperaar.’ Het is de vraag of Heijne Bussemaker helemaal recht doet. Er is een politieke en maatschappelijke werkelijkheid waarin exportsubsidies vanzelfsprekend worden gevonden behalve wanneer ze beschikbaar zijn voor culturele ondernemers en enquêtes laten zien dat grote delen van de bevolking nog altijd menen dat er op cultuur meer bezuinigd kan worden dan er werkelijk aan wordt uitgegeven. Het helpt dan niet wanneer gezichtsbepalende kunstenaars als Ramsey Nasr en Tamar van den Dop zich in een discussie met de minister verzetten tegen de aansporing het publiek te verleiden. ‘Het is,’ zei Ramsey Nasr op 15 september in het televisieprogramma Kunststof, ‘niet de kunstenaar die de mensen naar de zee moet laten verlangen, het is de politiek.’ ‘Boze prinsesjes’ noemde Jonathan van het Reve ze in de Volkskrant van 21 september 2013. Met de rug naar de toekomst staan ze, kun je zeggen. Wie denkt dat straks, met de nieuwe cultuurplanperiode, de tijden van weleer terug zullen keren, leeft in het Land van Ooit. En daarmee is het, dat weten we in Brabant maar al te goed, slecht afgelopen.

impulsgelden
Maar de klimaatverandering is onmiskenbaar. Ook voor bkkc was die voelbaar. We gingen het jaar in met een verkleinde organisatie. Gevolg van de ons door de Provincie opgelegde bezuiniging van effectief bijna 30%. Het maakte een herijking van organisatie en activiteiten noodzakelijk. De uitgangspunten daarvan waren vastgelegd in ons Beleidsplan 2013-2016, waarover we al voor de zomer van 2012 met de Provincie overeenstemming hadden bereikt.
Als onderdeel van de herijking waren we ten tijde van de indiening van ons werkplan voor 2013 met de Provincie in overleg over de toekomst van de verdeelsubsidieregeling zoals die tot en met 2012 door bkkc in opdracht van de Provincie werd uitgevoerd. In het werkplan voor 2013 werden de contouren geschetst van een nieuw systeem waarbij de schaarser geworden middelen op een meer duurzame en effectieve wijze zouden worden ingezet, gekoppeld aan de door de Provincie aan bkkc opgedragen kerntaken (talentontwikkeling, omgevingskwaliteit, culturele markt) en een omslag zou worden gemaakt van incidentele subsidie naar renderende programmatische investering. De gesprekken die bkkc hierover met de Provincie voerde werden verbreed naar aanleiding van het besluit van Provinciale Staten bij de behandeling van de voorjaarsnota 2012 om voor de periode 2013-2016 €6 miljoen in te zetten voor de versterking van de infrastructuur professionele kunsten en de beslissing van de Commissie Cultuur & Samenleving op 1 februari 2013 om de middelen voor 2013, €1,25 miljoen, vrij te geven in het kader van een door bkkc uit te voeren Impulsgeldenprogramma. In dit programma, zoals het door bkkc is geformuleerd in een addendum op zijn werkplan, werden de voorjaarsnotagelden opgehoogd met de vanouds voor verdeelsubsidies beschikbare middelen.
Centrale doelstelling van het programma is vernieuwing van de positionering van de culturele sector in het maatschappelijk krachtenveld, in de overtuiging dat een dergelijke vernieuwing uiteindelijk bijdraagt aan artistieke vernieuwing en een nieuwe context creëert voor het gesprek over de financiering van cultuur. Het programma stuurt op
• een vraaggerichte in plaats van een aanbodgerichte oriëntatie. Dat vraagt om ondernemerschap en leidt tot het verminderen van de financiële afhankelijkheid van de overheid;
• nieuwe allianties binnen maar ook buiten het culturele veld. Daardoor wordt kennis ontsloten en gedeeld en worden risico’s en rendementen gespreid;
• grotere zichtbaarheid van het culturele veld en zo vergroting van het maatschappelijk draagvlak.
De doelstellingen van het programma sloten daarmee naadloos aan op visie en missie van bkkc, zoals neergelegd in ons Beleidsplan 2013-2016. Met het Impulsgeldenprogramma kwamen vooral additionele middelen beschikbaar om realisatie van de in dat beleidsplan voor de culturele sector geformuleerde doelstellingen mogelijk te maken. Specifieke aandacht kregen binnen het Impulsgeldenprogramma de disciplines Dans en Beeldcultuur, die zwaarder dan andere disciplines getroffen waren door de bezuinigingen van de verschillende overheden. Voor bkkc betekende het dat naast de in het werkplan 2013 vastgelegde programma’s Talentontwikkeling, Omgevingskwaliteit en Culturele Markt, specifieke programma’s voor Dans en Beeldcultuur moesten worden ontwikkeld. Daarnaast kwam er een programma Coproductie, met als belangrijkste doelstelling via het stimuleren van samenwerkingsverbanden tussen makers en vertonings- en presentatieplekken op een meer aanbodgerichte wijze tegemoet te komen aan de nadrukkelijke vraag om productiemiddelen. Culturele Markt ten slotte werd gespecificeerd: Marketing.
Ontwikkeling, formulering en uitvoering van het Impulsgeldenprogramma hadden voor bkkc vergaande consequenties. De formatie van additionele programmagroepen vroeg veel van de afgeslankte organisatie. Activiteiten binnen de bestaande programma’s moesten zich gaan verhouden tot het Impulsgeldenprogramma. Tegelijkertijd bood het programma aanknopingspunten om de mogelijkheden te onderzoeken van versnelde overdracht aan het veld van door bkkc geïnitieerde activiteiten.

verantwoordelijkheid
Het programma voor 2018|Eindhoven Culturele Hoofdstad van Europa was onder meer bedoeld om de zichtbaarheid van cultuur in Brabant te vergroten, het cultureel zelfbewustzijn te versterken en te werken aan een nadrukkelijker internationale oriëntatie. We weten sinds 6 september dat Eindhoven geen culturele hoofdstad wordt. Maar het doet niets af aan de urgentie van het programma dat aan de ambitie ten grondslag lag.
bkkc voelt zich in hoge mate verantwoordelijk voor de rol die het culturele veld bij de realisatie van die ambitie kan en moet spelen. Het Impulsgeldenprogramma accentueert die verantwoordelijkheid, te meer nu door de Staten is besloten het Impulsgeldenprogramma te verlengen tot en met 2016. De Staten bevestigen daarmee de door bkkc in zijn Beleidsplan 2013-2016 gekozen focus en de rol van bkkc als spil en spin in het web bij de realisatie van de ambities van de Cultuuragenda van Brabant voor 2020 zoals die in juni 2013 is vastgesteld.
Die verantwoordelijkheid impliceert niet dat bkkc zich als woordvoerder ziet van de culturele sector. Die verantwoordelijkheid betekent wel dat bkkc het als zijn taak ziet te werken aan het weerbare cultuursysteem dat in de Cultuuragenda als doelstelling voor 2020 wordt geschetst: een cultuursysteem met een brede basis en een toonaangevende top, waarin overheden, culturele ondernemers, onderwijs, bedrijfsleven en publiek vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid samenwerken en de culturele infrastructuur zo te tillen naar een niveau dat recht doet aan de positie van Brabant als tweede economische regio van het land en van Eindhoven als slimste regio van de wereld. De in dit werkplan aangekondigde activiteiten moeten dan ook in dit langjarige perspectief worden gezien: het beoogde vitale cultuursysteem vraagt om een grote mate van beleidscontinuïteit.
Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het Brabantse cultuursysteem geeft bkkc invulling aan zijn rollen:
• bkkc koestert zijn rol als kenniscentrum, het functioneert als informatie- en debatcentrum, als netwerkorganisatie en als communicatieplatform. bkkc toont en demonstreert verschillende waarden van cultuur en biedt ruimte aan spelers uit het culturele veld om elkaar en representanten van andere sectoren te ontmoeten. Het is de ontmoetingsplek voor mensen die beroepshalve te maken hebben met kunst en cultuur. Het kenniscentrum steunt op en bestaat in hoge mate uit de inhoudelijke kennis en het relatienetwerk van de medewerkers. Die kennis en dat netwerk vergroten en delen we. Het is de basis voor ons advieswerk, aan makers en instellingen, aan overheden, maatschappelijke instellingen en bedrijfsleven.
• bkkc zoekt nieuwe wegen om aan de financieringsbehoeften van de culturele sector tegemoet te komen. bkkc vernieuwt het traditionele subsidie-instrument, maar geeft daarnaast vorm aan financieringsinstrumenten die naast of in plaats van subsidies een duurzame bijdrage kunnen leveren aan een grotere financiële autonomie van de culturele sector.
• bkkc treedt op als makelaar: het brengt vraag en aanbod bij elkaar, creëert in contact met Provincie en gemeenten, bedrijfsleven en maatschappelijke instellingen vraag en ontwikkelt in samenspraak met makers aanbod. bkkc zet daarbij in op vernieuwing van het opdrachtgeverschap vanuit verschillende maatschappelijke sectoren en het bevorderen van het ondernemerschap van kunstenaars. Het gaat daarbij in beginsel om betaalde dienstverlening, waarbij soms impulsgelden ingezet kunnen worden als vliegwiel om grotere ontwikkelingen op gang te brengen.
• in het Impulsgeldenprogramma is bkkc de intendant. Weliswaar kent het Impulsgeldenprogramma een open procedure waarbij voorstellen door iedereen aan bkkc kunnen worden voorgelegd, het betekent niet dat bkkc alleen maar reageert op vragen uit het veld. bkkc tracht regie te voeren: voorstellen te entameren, op elkaar af te stemmen, verbindingen te leggen. Die rol wordt de komende jaren zelfs groter. De verlenging van het programma tot en met 2016 biedt ruimte voor meerjarige afspraken, maar dwingt daarmee tegelijkertijd tot een grotere mate van orkestratie.

Tegelijkertijd kan bkkc die rollen uitsluitend waarmaken als het over voldoende draagvlak in het veld beschikt. Dat vraagt nadrukkelijke aandacht en voor bkkc is het reden te zoeken naar wegen om partijen uit het veld systematischer te betrekken bij zijn activiteiten. Het gaat daarbij niet alleen om het organiseren van activiteiten in samenwerking met partijen in het veld, het zichtbaar betrekken van die partijen bij wat we doen, maar ook en meer nog om het creëren van platforms waar op strategisch niveau kan worden gepraat over de rol die bkkc kan en moet spelen.

Inleiding bij het Werkplan 2014 van bkkc, ingediend op 9 december 2014