De waarde van cultuur

De gesubsidieerde culturele sector verkeert in zwaar weer. Door het rijk, maar ook door de provincies en de gemeenten wordt bezuinigd en daarbij worden de budgetten voor kunst en cultuur onevenredig zwaar getroffen.

De aandacht ging het afgelopen jaar met name uit naar de plannen van het nieuwe kabinet, mede als gevolg van de depreciërende retoriek die door de regeringspartijen werd gebruikt om de beoogde bezuinigingen te rechtvaardigen.

In een interview in de Volkskrant van 18 december 2010 werd aan Mark Rutte gevraagd wat hij vond van de heftige reacties vanuit de cultuursector op het door zijn kabinet aangekondigde beleid. Rutte zei de kritiek te begrijpen, maar bagatelliseerde die ook: ‘van de 5 miljard die we aan cultuur uitgeven, gaan we 200 miljoen bezuinigen. Dat is 4 procent. Het is niet zo dat we de cultuursector om zeep helpen. Iedereen moet bijdragen.’

Het was creatief rekenen wat de premier hier deed. Je zou haast denken dat hij zich geneerde voor het aangekondigde beleid en zichzelf trachtte te rechtvaardigen door de werkelijkheid te kleuren: de uitgaven van gemeenten, provincies en Rijk én de eigen inkomsten van de (gesubsidieerde) culturele sector bij elkaar optellen en daar vervolgens alleen de rijksbezuiniging tegenover zetten.

In NRC Handelsblad presenteerde Bastiaan Vinkenburg, consultant bij Berenschot, op 23 december 2010 een heel wat realistischer beeld: ‘Het kabinet wil bijna 400 miljoen euro bezuinigen op kunst en cultuur. Want naast 200 miljoen netto op de cultuurbegroting en 90 miljoen via btw-verhoging op toegangskaarten, speelt onder meer de opheffing van een aantal regelingen, programma’s en een groot deel van de omroeporkesten. […] Gemeenten geven samen bijna 2 miljard uit aan kunst en cultuur, en provincies 260 miljoen. De crisis en het kabinet dwingen gemeenten en provincies tot forse bezuinigingen. Omdat op wettelijke en juridisch gebonden taken nauwelijks kan worden bezuinigd, vormen kunst en cultuur een gemakkelijke prooi. Bezuinigingen van 20 tot 30 procent komen veel voor en sommige gemeenten halveren zelfs hun cultuurbudget. De ingrepen van gemeenten en provincies samen schelen de cultuursector mogelijk 600 miljoen. Met de kabinetsplannen erbij komt dat mogelijk neer op bezuinigingen op de kunstsector van één miljard euro.’

Ongerijmdheden

In zijn nota ‘Meer dan kwaliteit’ ontvouwde staatssecretaris Zijlstra zijn ‘nieuwe visie op cultuurbeleid’: ‘Het kabinet wil dat culturele instellingen en kunstenaars ondernemender worden en een groter deel van hun inkomsten zelf verwerven. Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden.’

Het is een wat magere, louter financiële visie, die inhoudelijk niet verder wordt onderbouwd. ‘Een vitale cultuursector’ zo schreef de staatssecretaris in de inleiding van Cultuur in beeld, een publicatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit mei 2011, ‘is zo min mogelijk afhankelijk van de overheid.’ Waarbij onduidelijk blijft wat ‘zo min mogelijk’ betekent (per saldo is volgens cijfers van het Ministerie de culturele en creatieve sector voor nog geen 17% afhankelijk van de overheid) en waarom dat geldt voor de cultuursector en niet voor bijvoorbeeld de wegenbouwsector of de militaire sector, die veel meer dan de cultuursector van de overheid afhankelijk zijn. In zijn uitwerking kent de visie van de staatssecretaris bovendien nogal wat ongerijmdheden.

De staatssecretaris geeft aan dat hij vindt dat culturele instellingen over de periode 2013-2015 gemiddeld ten minste 19,5% eigen inkomsten moeten halen. Dat lijkt geen misplaatste en ook geen onhaalbare eis. Het grootste deel van de culturele en creatieve sector zorgt al voor zichzelf. Van de € 5 miljard die omgaat in de gesubsidieerde culturele sector werd in 2009 al zo’n 40% ‘uit de markt’ gehaald. Maar het wordt wat ingewikkeld als de staatssecretaris vervolgens tal van instellingen die zijn doelstelling nu al moeiteloos halen genadeloos de nek omdraait. Het is blijkbaar een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde. Om het voorzichtig te zeggen: dat bemoeilijkt het vergroten van eigen inkomsten aanzienlijk.

De staatssecretaris vindt dat de cultuur een te gering aandeel in de charitatieve bestedingen heeft. Daar kan de sector winst boeken, zegt hij. De vraag is wat hij dan bedoelt. Moeten de charitatieve bestedingen verder omhoog? Dat is een mooi streven maar het zal lastig worden. Nederland behoort nu al tot de landen met de royaalste geefcultuur (€ 4,7 miljard in 2009) en met alle bezuinigingen die ook op de particuliere huishoudens afkomen zal het niet meevallen die te bewegen tot een nog uitbundiger geefgedrag. Of moet de culturele sector de boer op om in de charitatieve sector marktaandeel weg te snoepen bij het Koningin Wilhelminafonds en Jantje Beton? Misschien wil de staatssecretaris dat dan een keer hardop zeggen?

Willen bedrijfsleven en de mecenassen meer geven aan cultuur, dan moet de overheid zelf het goede voorbeeld geven. Vooralsnog lijkt de overheid ze slechts kopschuw te maken. Is de overheid bereid garanties te geven voor instellingen waarin de particuliere sector wil investeren? De toon waarop door vertegenwoordigers van de regeringspartijen gepraat wordt over de culturele sector wekt niet de indruk dat men in die kringen cultuur waardevol vindt. Alleen investeringen in nationale iconen lijken de goedkeuring van de coalitie weg te kunnen dragen en veilig te zijn tegen mogelijk volgende bezuinigingsrondes. In culturele broedkamers lijkt niemand meer geïnteresseerd.

De waarde van cultuur

Wat in de nota van Zijlstra ontbreekt: een visie op de betekenis van kunst en cultuur voor onze samenleving. Daar is inmiddels toch veel, zij het eenzijdig economisch, onderzoek naar gedaan.

In 2009 publiceerde de Amsterdamse sociaal-geograaf Gerard Marlet zijn onderzoek De aantrekkelijke stad. Kunst en cultuur, zo concludeerde hij, spelen een prominente rol in de concurrentiepositie van steden. Steden die een groot en gevarieerd aanbod aan kunst en cultuur hebben zijn over het algemeen ook de populaire woonsteden. Die steden hebben de grootste aantrekkingskracht op hoger opgeleiden en mensen uit de hogere inkomensgroepen. En die steden doen het om die reden ook economisch beter. Want waar wonen steeds minder het werken volgt, volgt werken wel steeds vaker het wonen. Waar productieve werknemers graag willen wonen, groeien bedrijven en vestigen zich (nieuwe) bedrijven. Waar hoogopgeleide, creatieve mensen wonen neemt de werkgelegenheid over het algemeen toe. Het klinkt heel vanzelfsprekend.

In dezelfde lijn publiceerde het Centraal Plan Bureau in december 2010 zijn rapport Stad en land. Het is een rapport over grondprijzen. CPB-directeur Coen Teulings lichtte de conclusies op 1 februari 2011 in het Provinciehuis in Den Bosch nog eens toe: ‘Het cultuuraanbod blijkt meer impact te hebben op de grondprijzen dan economie. In de stad zit alles bij elkaar. Het draagvlak voor de ene voorziening is meteen ook het draagvlak voor de andere voorziening. Daarom is een hoge concentratie van bewoning belangrijk. En als het woonklimaat aantrekkelijk is, betekent dat weer een aantrekkingskracht voor bedrijven.’ Het Brabants Dagblad vatte het een dag later kernachtig samen: ‘Cultuur voor stad relevanter dan banen’.

In Cultuur in beeld wordt uitgebreid ingegaan op de economische waarde van kunst en cultuur, zoals die tot uitdrukking komt in de omzet van de culturele sector (€ 18 miljard in 2010) en in de bijbehorende werkgelegenheid (ca. 243.000 mensen, 185.000 fte’s). De editie 2011 van de Atlas voor Gemeenten belichtte ‘de waarde van cultuur voor de stad’. Toen dat Atlas op 19 mei in Arnhem werd gepresenteerd, durfde samensteller Gerard Marlet op basis van het voor die Atlas verzamelde cijfermateriaal de stelling aan dat de door de beoogde bezuinigingen veroorzaakte macro-economische schade een veelvoud zou bedragen van het bezuinigde bedrag.

Voor het bedrijfsleven heeft het niets verrassends. Niet voor niets kritiseren ondernemers vooral het cultuur- en het onderwijsbeleid van het kabinet. Peter Swinkels, voorzitter van de Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging, had het op de jaarvergadering van zijn BZW op 27 juni in Den Bosch over ‘het rotte ei’ dat Halbe Zijlstra had gelegd. Een jaar eerder waren 25 grote Tilburgse ondernemers al in het geweer gekomen tegen gemeentelijke bezuinigingen op cultuur. ‘Culturele activiteiten’, zo schreven zij op 11 maart 2010 in een open brief, ‘prikkelen de verbeelding en scheppen ongekende vergezichten die mensen kunnen inspireren en uitzicht bieden op de zin van het bestaan. Aandacht (blijven) besteden aan cultuur is dan ook van groot economisch belang. Op dit moment onderscheidt Tilburg zich in Brabant en daarbuiten door zijn cultuuraanbod. Dat geeft Tilburg in de samenleving van vandaag een concurrentievoordeel. Tilburg moet alle voordelen die het op dat gebied heeft, koesteren.’ En op 28 oktober 2010 had Gerrit-Jan Swinkels, voorzitter van SER-Brabant, op een bijeenkomst in Liempde, zijn mede-ondernemers voorgehouden: ‘Economisch staan we voor een grote opgave. We moeten de concurrentie aangaan met andere Europese regio’s. Brabant moet boven het maaiveld uitsteken en cultuur en sport kunnen daarbij drijvende krachten zijn.’

Het is een simpele waarheid: de culturele infrastructuur is een belangrijke factor voor het woon- en werkklimaat. Cultuur verdient alleen daarom al volop aandacht van politici die zich druk maken over maatschappelijk welzijn, vestigingsklimaat en economische ontwikkeling.

Het democratisch argument

En dan hebben we nog niets gezegd over de betekenis die kunst en cultuur hebben voor maatschappelijke cohesie, democratisch burgerschap en identiteitsvorming. Lees Not for profit, het pamflet van de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum over de betekenis van ‘zachte’ vakken als talen, literatuur, drama, muziek, geschiedenis en filosofie voor de democratische samenleving. Het zijn, zo betoogt zij, juist deze disciplines die ons leren rekening te houden met andermans gevoelens, die ons tot bewuste burgers maakt. Wie romans leest of toneelspeelt moet zich tenslotte wel verdiepen in een onbekende. Wie leert filosoferen, leert verantwoordelijkheid te nemen voor zijn opvattingen.

Bas Heijne zei het het afgelopen jaar in het publiek debat over de bezuinigingen op cultuur zo: ‘Kunst laat ons ons bestaan onderzoeken op een manier die zich aan gemakkelijke slogans en frases onttrekt, kunst maakt korte metten met eenduidige beelden van onszelf en de werkelijkheid. Het is de kunst die, in de woorden van de schrijver Henry James, het leven maakt; het is de kunst die ons de middelen verschaft om het bestaan te verkennen door middel van de verbeelding.’ (NRC Handelsblad 27 januari 2011) Het leidt als vanzelf tot de conclusie van Multatuli: ‘Regeerders die menen dat kunst geen regeeringszaak is maken ’t regeeren tot een kunstje.’

Het is een geluid dat in de discussies van het afgelopen jaar wel klonk, maar nauwelijks werd gehoord. We leven in een tijd waarin we economische motieven meteen begrijpen, maar culturele of democratische minder, een tijd waarin economisch rendement prevaleert boven nieuwsgierigheid, verbazing en verbeelding. Uiteindelijk leidt dat tot verschraling, en, zoals Nussbaum zegt, ‘hebzuchtige stompzinnigheid’.

De ontwrichte regio

Als de beperkte taak van de rijksoverheid ziet de staatssecretaris het ‘om voorwaarden te realiseren die de kwaliteit van kunst en cultuur verhogen en de toegankelijkheid waarborgen.’ Dat roept de vraag op hoe zich dat verhoudt tot zijn eenzijdige keuze voor nationale iconen en erfgoed ten koste van talentontwikkeling en de regio. Want daar ligt nog een probleem: het rijksbeleid komt zonder zorgvuldige afstemming met provincies en gemeenten tot stand.

Een van de gevolgen van het in Meer dan kwaliteit aangekondigde beleid zal zijn dat het culturele overwicht van de Randstad verder wordt vergroot. Overal vallen klappen, maar buiten de Randstad komen ze harder aan dan daarbinnen. Tot nu toe gaat zo’n 2,6% van de rijksmiddelen voor cultuur naar Brabant. Dat wordt minder dan 2%. Of anders: per Amsterdammer besteedt het rijk straks ongeveer € 250,- aan cultuur, per Brabander minder dan € 3,-.

De problemen die dat oproept klemmen te meer omdat niet alleen het rijk bezuinigt op kunst en cultuur, maar ook, en zelfs in nog sterkere mate, de provincies en de gemeenten en het niet vanzelfsprekend is dat de verschillende overheden hun bezuinigingsbeleid op elkaar afstemmen. Daardoor dreigt ontwrichting van de regionale en lokale culturele infrastructuur.

BrabantBod

In Brabant hebben overheden (BrabantStad: de vijf grote steden en de Provincie) en de culturele sector getracht aan die dreigende ontwrichting het hoofd te bieden. Ze hebben in gezamenlijkheid een houtskoolschets gemaakt voor een compacte, slagvaardige infrastructuur die voor drie sectorale clusters (theater, muziek, beeld) een samenhangende keten (onderwijs, makers, productie, podia, publiek, festivals) waarborgt. Trefwoord is krachtenbundeling, zowel inhoudelijk als organisatorisch. De koers is gericht op het creëren van ruimte voor aan de ene kant talentontwikkeling, research & development, internationale excellentie en creatief ondernemerschap, aan de andere kant educatie en breed publieksbereik. Dit BrabantBod was inzet van het overleg tussen BrabantStad en de rijksoverheid en is nu, ook na de afwijzing van het Bod door het Rijk, uitgangspunt voor het provinciaal cultuurbeleid na 2013.

De situatie in Brabant is daarmee uniek. Door de Provincie is cultuur gedefinieerd als een provinciale kerntaak, naast economie en ruimte. Tussen Provincie en de vijf grote steden vindt binnen BrabantStad geïnstitutionaliseerd overleg plaats over taak- en functieverdeling. Overheden en culturele sector zoeken samenwerking om een samenhangende infrastructuur in stand te houden.

Daarbij past overigens een kanttekening: wanneer we kijken naar culturele investeringen per hoofd van de bevolking lopen de provincie Noord-Brabant en de Brabantse steden niet voorop, integendeel. Volgens cijfers zoals RTL4 die in januari 2011 publiceerde, besteden alleen de provincies Zuid- en Noord-Holland per hoofd van de bevolking minder aan cultuur dan Noord-Brabant, en wordt in Drenthe en Zeeland bijna vier keer zo veel, in Groningen, Limburg, Flevoland, Friesland en Overijssel ruim twee keer zo veel besteed. En Noord-Brabant gaat er prat op dat van de tien grootste gemeenten in Nederland er drie in Brabant liggen. Maar in de gemeentelijke top-tien van culturele bestedingen per hoofd van de bevolking komt alleen Eindhoven voor. Tilburg staat pas op de zeventiende, Breda pas op de zesentwintigste plaats. Opgeteld bij de relatief (zeer) geringe bijdrage van het Rijk levert dat een investering in de culturele infrastructuur op die geen gelijke tred houdt met de betekenis van Brabant voor de nationale economie.

Tussen culturele werkelijkheid en beleidsambities moet dus nog een brug worden geslagen. 2018Brabant, het streven BrabantStad in 2018 culturele hoofdstad van Europa te maken, kan die brug worden.