Over onderwijs

Hoe de toekomst van ons onderwijs eruit ziet, we weten het niet. Ik weet niet hoe u de verkiezingscampagne ervaren hebt die achter ons ligt. Journalistiek en politieke partijen hebben elkaar gefeliciteerd met de inhoudelijkheid ervan. We zijn tegenwoordig blijkbaar gauw tevreden. Ik vond het debat niet zo inhoudelijk.

Het hele campagne-debat ging uiteindelijk over geld en over de cijfertjes van het Centraal Plan Bureau. Ik ben historicus. Ik heb me vooral met de negentiende eeuw bezig gehouden en ik roep met regelmaat dat we blij mogen zijn dat we in de negentiende eeuw geen Centraal Plan Bureau hadden waaraan politici konden vragen hoe verstandig het zou zijn spoorlijnen aan te leggen, een Noordzeekanaal om Amsterdam een directe toegang tot de zee te geven, een Nieuwe Waterweg die Rotterdam met de Noordzee zou verbinden. Ik verzeker u: de uitkomsten zouden negatief zijn geweest en we hadden het in Nederland vandaag de dag nog steeds met trekvaarten moeten doen. In de aanloop naar de verkiezingen van dit jaar heeft het CPB berekend dat er € 29 miljard bezuinigd moet worden. Niemand kan ons precies uitleggen hoe dat bedrag tot stand is gekomen. En economen blijken ernstig met elkaar van mening te verschillen over de vraag of een dergelijk bezuinigingspakket goed of slecht is voor onze economie. Ben Knapen – inmiddels staatssecretaris – maakte zich in NRC Handelsblad van 23 juni vrolijk over ‘de onverwoestbare zelfverzekerdheid van economische wetenschappers’: ‘Ze leggen een onverminderd talent aan de dag om met grote stelligheid en vrij van scepsis dingen over de echte economie te beweren en het daarbij radicaal oneens te zijn met collega-wetenschappers.’ Hij concludeerde: ‘De volgende financiële crisis lijkt (…) een beetje op die auto die je op een kruising op je af ziet komen. Wat doe je om die te ontwijken: remmen of gas geven? Of eerst te rade gaan bij een deskundig econoom…’

In De Volkskrant van 26 juni probeerde Frank Kalshoven ons wegwijs te maken in dit economische debat: ‘op welk fundamenteel punt is dit meningsverschil terug te voeren: Het korte antwoord: verwachtingen.’
Tja, denk ik dan als economische leek. De economische wetenschap en ons Centraal Plan Bureau hebben geen indrukwekkend track-record als het gaat om het voorspellen van de toekomst van onze economie. En verbazingwekkend is dat niet. Hoe zeer het voor sommige economen ook wennen is: economie gaat over mensen, is geen exacte wetenschap. Onze maatschappelijke en economische werkelijkheid is veel te ingewikkeld voor de modellen die de rekenmeesters in Den Haag hanteren. Herinnert u het zich nog, hoe in september 2008 Jan Peter Balkenende en Wouter Bos, zwaaiend met de voorspellingen van het CPB, ons beloofden dat de economische crisis aan Nederland voorbij zou gaan? En nog korter geleden, begin dit jaar, voorspelde het CPB ons dat de werkloosheid voor het eind van dit jaar zou oplopen tot tegen de 10%. U kunt gerust zijn: we hebben de 5% nog niet eens gehaald en de werkloosheid is aan het dalen.
En dan gaan onze politieke partijen campagne voeren met rekensommetjes die pretenderen ons te kunnen vertellen waar de verschillende beleidsalternatieven ons in nota bene 2040 zullen brengen.
Tja, denk ik dan als economische leek. Mark Rutte – inmiddels premier – meende dat we op hem moesten stemmen omdat zijn plannen ons in 2040 maar liefst 400.000 banen extra zouden bezorgen. Maar voor welk probleem is dat een oplossing? Tot 2050 neemt het aantal mensen dat in ons land beschikbaar is voor de arbeidsmarkt met 1.000.000 af. Om die 400.000 extra banen van Mark Rutte in te vullen hebben we massa-immigratie nodig.

Ik vond het een lege campagne. Onderwijs leek niet ter discussie te staan. Al in september 2009 had de Tweede Kamer zich op initiatief van toen nog PvdA-fractievoorzitter Mariëtte Hamer uitgesproken tegen bezuinigingen op het onderwijs: onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in Nederland zouden moeten gaan behoren tot de mondiale top vijf. Tijdens de campagne leek alleen het CDA, bij monde van staatssecretaris Marja van Bijsterveld – inmiddels minister -, geneigd de arbeidsvoorwaarden in het onderwijs ter discussie te stellen. Zonder uitzondering hadden de politieke partijen hun mond vol over het belang van de kenniseconomie en de noodzaak daartoe te investeren in het onderwijs. Niemand deed echter maar een begin van een poging concreet te maken hoe ons onderwijs verbeterd zou kunnen worden, hoe die ambitie om tot de mondiale top vijf te gaan behoren waar gemaakt kan worden.
En inmiddels is duidelijk dat het onderwijs bij de bezuinigingen die er aan zitten te komen niet buiten schot zal blijven. Om financiële tegenvallers te compenseren stelde het kabinet-Balkenende al bij de behandeling van de Voorjaarsnota voor alle salarissen bij de overheid, dus ook die van leraren, te bevriezen. Een motie van voormalig minister van Onderwijs Ronald Plasterk om de lerarensalarissen buiten de bezuinigingen te houden werd door een meerderheid van VVD, PVV en CDA verworpen. En al eerder werd duidelijk dat er kamerbrede steun bestaat voor afschaffing van de gratis schoolboeken en voor vervanging van het huidige studiefinancieringsstelsel door wat wordt genoemd een sociaal leenstelsel. Ik ben nooit een warm voorstander van gratis schoolboeken geweest en heb altijd grote bezwaren gehad tegen het huidige studiefinancieringsstelsel. Het zijn regelingen waar mensen die het niet nodig hebben volop van profiteren, terwijl ze ontoereikend zijn om mensen die het wel nodig hebben uit de brand te helpen. Maar de plannen die onze politici in Den Haag koesteren, komen aan die bezwaren niet tegemoet. In onze kenniseconomie hebben we behoefte aan laagdrempelig onderwijs, onderwijs dat sociale mobiliteit bevordert. Met die sociale mobiliteit gaat het niet goed. Nederland geldt nog steeds als een egalitair land waar iedereen het evangelie van gelijke kansen onderschrijft. Maar in de praktijk valt het tegen. Volgens cijfers van CBS heeft de generatie van 25-44-jarigen met laagopgeleide ouders (lager dan mbo) zes keer meer kans om zelf ook laagopgeleid te zijn dat leeftijdgenoten met hoogopgeleide ouders. Tweeverdieners aan de bovenkant van de samenleving hebben een hoog inkomen dat zij in hun kinderen investeren. Die kinderen kunnen ook een beroep doen op de kennis en het netwerk van hun hoog opgeleide ouders. Volgens Wout Ultee, hoogleraar sociologie aan de Radboud Universiteit, heeft de Nederlandse elite zich de afgelopen tien jaar meer afgezonderd van de middenklasse. Dat is een trendbreuk: sinds de jaren vijftig werden de sociale barrières tussen middenklasse en bovenlaag juist lager.
En over de echte problemen in ons onderwijs vindt geen serieus politiek debat plaats. Aan het onderwijs ligt dat niet. Al in maart is door de VO-Raad een ambitieuze investeringsagenda neergelegd: Ruimte voor ieders talent. De schrijvers van het rapport zeggen te streven ‘naar betere benutting van de talenten van iedere leerling door meer maatwerk aan te bieden en vragen hiervoor verruiming van regelvrijheid voor scholen om flexibilisering in proces en organisatie aan te kunnen brengen. Hiermee bereiken we dat leerlingen met een gemiddeld hogere kwalificatiegraad toetreden tot de arbeidsmarkt, waarmee Nederland opgestuwd wordt als kennisland. De neveneffecten van de inspanningen van de VO-sector zijn een aanzienlijke besparing van kosten in andere maatschappelijke sectoren en een hogere economische groei.’

We willen en moeten leerlingen kwalitatief hoogwaardig onderwijs bieden: onderwijs dat inhoud heeft, onderwijs dat inspireert en uitdaagt, onderwijs dat het optimale uit leerlingen haalt. Dat is geen sinecure. Het onderwijs heeft te maken met een leerling-populatie die in toenemende mate complex en heterogeen van samenstelling is: het aantal zorgleerlingen is de afgelopen jaren explosief gestegen, leerlingen groeien op in een multiculturele samenleving, leerlingen vragen steeds meer om digitalisering van dagelijkse bezigheden. Daardoor wordt het nog belangrijker het onderwijs toe te spitsen op de leerbehoeften van de individuele leerling om daarmee een optimale prestatie mogelijk te maken. Binnen het huidige voortgezet onderwijs is de ruimte om recht te doen aan ieders talent niet groot genoeg. Er is het afgelopen jaar veel gezegd en geschreven over de verschillen tussen jongens en meisjes, de oorzaken daarvan en de eisen die dat aan het onderwijs stelt. Ik vond het niet zo’n vruchtbare discussie, omdat de verschillen binnen de populatie jongens en binnen de populatie meisjes groter zijn dan tussen jongens en meisjes gemiddeld. Het neemt niet weg dat er grote groepen jongens en kleinere groepen meisjes zijn die nauwelijks geïnteresseerd zijn in ons onderwijs, voor wie school een bijzaak is, en niet eens de belangrijkste. Daar ligt een uitdaging.

De school waar ik bestuursvoorzitter ben heeft een ijzeren reputatie waar het om de B-vakken gaat. Dat is een reputatie die gekoesterd mag worden. Maar de wereld bestaat uit meer dan wis-, natuur- en scheikunde. Natuurwetenschappelijke kennis is niet van een hogere orde dan sociologisch, historisch of artistiek inzicht. Het is ook een misverstand dat natuurkundigen slimmer zijn dan taalkundigen, dat intelligente leerlingen per definitie gelukkiger worden van een B- dan van een M- of, nog erger, een C-profiel. Natuurlijk, er zijn leerlingen die met een zucht van verlichting afscheid nemen van hun natuur- en scheikundeleraren. Maar we weten ook: er zijn leerlingen die fantastisch scoren met de B-vakken, maar nooit een vwo-diploma zouden halen als ze eindexamen Frans en Duits zouden moeten doen. Het kan geen kwaad met dat bewustzijn iets te doen. In economische termen: ik denk dat wanneer we op die school van mij investeren in de taal, cultuur- en maatschappijvakken dat een groter rendement oplevert dan additionele investeringen in de toch al sterke B-vakken.
En kunnen we leerlingen niet veel meer verrassen en dus boeien als we veel vaker kiezen voor vakoverstijgende activiteiten? Volgens mij laten de profielwerkstukken zien dat daar een wereld te winnen is. Ik zou graag zien dat secties die uitdaging oppakken en gezamenlijke projecten ontwikkelen.
En waarom gaan we op school de krant niet lezen? We kunnen onze ogen er voor sluiten, maar we weten dat bij steeds minder kinderen thuis er ’s ochtends of ’s avonds een krant op de mat valt. En toch willen we van leerlingen wereldburgers willen maken, die inzicht hebben in sociale, culturele en politieke vraagstukken op lokaal en mondiaal niveau. De krant biedt iedere dag aanknopingspunten voor discussie en verdieping. De bende-oorlogen in de Bijlmer van het afgelopen jaar kunnen in perspectief worden geplaatst door te kijken naar de manier waarop na de oorlog de ruimtelijke ordening in ons land vorm heeft gekregen, door leerlingen mee te nemen naar de middeleeuwen, naar onze eigen Hoekse en Kabeljauwse twisten of naar de torens van San Gimignano, door Romeo and Julia van Shakespeare te lezen of door naar Bernsteins West Side Story te kijken en te luisteren, of, nog liever, het op te voeren.
En is het een gek idee om de schooldag te verlengen? Waarom zijn leerlingen alleen maar op school om klassikaal lessen te volgen? Maakt een schooldag van negen tot vijf niet veel duidelijker dat leren een dagtaak is? En wapenen we leerlingen zo niet veel beter tegen de vluchtige afleidingen die de buitenwereld biedt?

Tegelijkertijd zullen we oplossingen moeten vinden voor het grote lerarentekort dat voor de deur staat. Sommigen in het onderwijs dromen nog steeds van klassenverkleining als oplossing van alle problemen. Dat is een gepasseerde discussie. Willen we ons onderwijs op de huidige manier kunnen blijven geven, dan zal de komende jaren één van iedere vijf toetreders tot de arbeidsmarkt moeten kiezen voor een onderwijsloopbaan. Daar kunnen we kort over zijn: dat gaat niet gebeuren.
Drie dingen zijn nodig om de komende problemen het hoofd te bieden. De arbeidsvoorwaarden in het onderwijs zullen zodanig moeten zijn dat de positie van het onderwijs op de arbeidsmarkt niet verslechtert. Dan gaat het natuurlijk over de salarissen. Maar dat is niet het enige, en misschien zelfs niet het belangrijkste. Zelf ben ik geneigd veel meer prioriteit te geven aan het oplossen van de opleidings- en inwerkproblemen. Ik vind het schokkend om te zien hoe de inrichting van de lerarenopleiding nog steeds aspirant-leraren weet af te schrikken en hoe onverschillig daar door de opleiders op wordt gereageerd. Ik vind het bizar dat inwerken in het onderwijs nog steeds plaatsvindt door te beginnen met een part-time baan. Daarnaast is in het onderwijs is een mentaliteitsverandering noodzakelijk: de gesloten cultuur moet worden doorbroken. Het is interessant om goed te luisteren naar de ervaringen van zij-instromers en waarom zovelen van hen het onderwijs al weer na een paar jaar verlaten. Alleen het woord al: zij-instromer. Er is geen sector op de arbeidsmarkt waar ze een aparte term hebben voor mensen die niet vanaf het begin van hun loopbaan in die sector werken. Het zegt denk ik genoeg. Maar ook en onvermijdelijk: we zullen op zoek moeten naar een nieuwe balans tussen instructie aan groepen en individuele begeleiding, want voor de meeste vakken hebben we straks onvoldoende docenten om de traditionele klassikale lesvorm overeind te kunnen houden. De technieken zijn er. Het wachten is op de inventieve geesten die succesvolle applicaties weten te ontwikkelen.

Ten slotte. Er zal iets moeten worden gedaan aan de schaal van ons onderwijs. De NMa, de Nederlandse Mededingingsautoriteit, publiceerde in december een studie naar de resultaten van ziekenhuisfusies en concludeerde daarin dat fusies de zorg duurder hebben gemaakt. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat dit voor onderwijsfusies anders is. Het is misschien een aardig onderwerp voor een praktische opdracht economie: kijk wat er met de overheadkosten gebeurt wanneer je vier scholen laat fuseren en zet daar tegenover de overheadkosten wanneer je die scholen zelfstandig laat en ze hun centrale diensten inkopen bij met elkaar concurrerende bureaus. En stuur de uitkomst van die praktische opdracht aan de VO-raad en de nieuwe minister van Onderwijs. Het einde van de fusiedrift lijkt overigens wel in zicht. In de Volkskrant van 3 oktober 2009 stelde Job Cohen vast: ‘In het onderwijs hebben we gigantisch grote conglomeraten gemaakt. We dachten dat het efficiënt was en in zeker opzicht is dat ook waar. Maar het is doorgeslagen. Leerlingen en ouders weten niet meer precies wie nu voor wat verantwoordelijk is.’ En in diezelfde krant pleitte Wim van de Donk, commissaris van de koningin in Noord-Brabant en jarenlang voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, voor een passage in het CDA-verkiezingsprogramma waarin duidelijk zou staan: ‘elke school heeft haar eigen bestuur. Punt. Afgelopen met de fatale vervreemding en schaalvergroting. De school is een gemeenschap van ouders, docenten en leerlingen, een oefenplaats van betrokken burgerschap. Van dat soort scholen hebben we er 1.500 afgeschaft. Kom op jongens, die les hebben we nu wel geleerd.’
Schaalverkleining maakt onderwijs efficiënter en legt de verantwoordelijk voor het onderwijs zo veel mogelijk daar waar die hoort: bij de professionals.
(Uit mijn toespraak tot de Algemene Docenten Vergadering van het St. Michaël College in Zaandam, 9 juli 2010)