De kracht van verbindende kunst en cultuur

In zijn installatie Guilty Landscapes, waarvan in 2016 vier episodes waren te zien, op festivals in Utrecht, Berlijn, Den Bosch en Eindhoven, thematiseert theatermaker en beeldend kunstenaar Dries Verhoeven onze verhouding tot wat hij ‘de protagonisten van het Acht Uur Journaal’ noemt. Door de continue beschikbaarheid van nieuws op onze laptops, televisies en smartphones zijn we voortdurend getuige van complexe situaties aan de andere kant van de wereld. Dagelijks kunnen we ons ongemakkelijk voelen bij de confrontatie met vermeende armoede en wanhoop. Verhoeven laat zien dat de nieuwscamera niet neutraal is, dat de gefilmden gewild of ongewild worden geframed als slachtoffer, dat de sociaal overbewuste nieuwskijker voordat hij er erg in heeft wordt meegesleurd in een kolk van schuld en schaamte. ‘Je schuldgevoel krijgt een optater door een onverwachte nabijheid’, schreef Annette Embrechts naar aanleiding van de eerste aflevering van Guilty Landscapes in de Volkskrant.(1) Dries Verhoeven confronteert ons met een onrustige wereld. En met wat die onrust met ons doet.

Een verdeelde samenleving
Die onrustige wereld treft hier in Europa een verdeelde samenleving. In de politiek wordt het discours over taak en rol van de overheid en de reikwijdte van beleid sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw gestuurd het neoliberale vertoog over de zegeningen van de onzichtbare hand, de trickle-down economics en de marktwerking. Terugtredende overheid, privatisering, schaalvergroting, flexibilisering van de arbeidsmarkt, liberalisering van de kapitaalmarkt, globalisering – het zijn de trefwoorden van de afgelopen decennia. Ze legitimeren een beleid dat het gemenebest dienstbaar maakt aan private belangen en de samenleving in hoge mate aan zichzelf overlaat: ‘the tragedy of the commons’. Het heeft de burger op zichzelf teruggeworpen en de afstand tussen de burger en de instituties vergroot. Nederland is een land geworden dat wordt bestuurd door burgers met de hoogste diploma’s, wordt gekenmerkt door een participatiekloof tussen hoog- en laagopgeleiden, door een onevenwichtige belangenvertegenwoordiging en door afnemende legitimiteit van het bestuur.(2) Organisaties in voor de burger relevante domeinen als onderwijs, zorg en huisvesting fuseerden, werden het domein van ‘professionele’ bestuurders en toezichthouders en onttrokken zich zo stapsgewijs aan hun lokale worteling.
Toen in 2008 de financiële crisis uitbrak, bleek de economische groei die het neoliberale bewind geacht werd ons te hebben gebracht buitengewoon fragiel, want in te sterke mate gebaseerd op krediet (dat vaak te gemakkelijk was verstrekt) en vergroting van de arbeidsparticipatie (die onder druk kwam door de snel oplopende werkloosheid). Een studie van De Nederlandsche Bank liet bovendien zien dat de burger van die groei nauwelijks heeft geprofiteerd. Sinds 1997 is de koopkracht in Nederland vrijwel niet toegenomen. Een steeds groter deel van de nationale koek komt terecht bij bedrijven en bij de overheid. Bedrijven maken meer winst, maar investeren die veel minder dan in het verleden in vergroting van productiecapaciteit en daarmee werkgelegenheid. In plaats daarvan nemen ze concurrenten over, kopen ze aandelen terug en laten ze de topinkomens stijgen, terwijl ze voor de onderkant loonmatiging en flexibilisering prediken. De overheid roomt een steeds groter deel van de inkomens af via stijgende zorgkosten en inmiddels een verdubbeling van de pensioenpremies, in ruil waarvoor langer gewerkt moet worden.(3) McKinsey Global Institute liet in een rapport dat in juli 2016 werd gepubliceerd zien dat in 25 westerse landen, waaronder Nederland, in de periode 2005-2014 het reële inkomen voor 65-70% van de huishoudens is gedaald. Het bureau spreekt van een trendbreuk, niet alleen veroorzaakt door de kredietcrisis, maar vooral door de vergrijzing en de flexibilisering op de arbeidsmarkt. Doordat voor een meerderheid van de huishoudens de koopkracht daalt, daalt ook de consumptieve vraag en wordt er een groter beroep gedaan op sociale voorzieningen. Zo ontstaat een negatieve spiraal met grote gevolgen voor de wereldeconomie.(4) De conclusies van McKinsey sluiten aan bij de studies van econoom en Nobelprijswinnaar Joseph E. Stiglitz, econoom Thomas Piketty, socioloog Robert D. Putnam en economisch historicus Robert J. Gordon. Zij schetsen een groeiende kloof tussen arm en rijk, tussen hoog- en laagopgeleid, stellen daarvoor het neoliberale kapitalistische systeem verantwoordelijk en laten zien hoe die groeiende kloof leidt tot vertraging van de economische groei en onze democratische verworvenheden aantast.(5)
Het resultaat is nieuwe groepsvorming. Het neoliberalisme vond zijn voedingsbodem in wat na de corporatistische eerste helft van de twintigste eeuw ervaren werd als de individualisering van de samenleving. Maar het is het individualisme van de volgelingen van Brian, in de Monty Python-film Life of Brian. Wanneer Brian ze voorhoudt dat ze zelf moeten nadenken en allemaal individuen zijn, antwoorden ze in koor: ‘Yes, we’re all individuals.’ Ook in onze geïndividualiseerde samenleving wordt eigenzinnig, afwijkend gedrag niet automatisch gewaardeerd. Ieder mens heeft het recht een individu te zijn, mits zijn of haar gedrag binnen de gestelde groepsnormen valt.(6) Bij de verliezers van het neoliberale discours vertaalt dit individualisme zich nu in wantrouwen jegens een overheid door wie ze zich in de steek gelaten voelen, in toenemende aandacht voor identiteitsvraagstukken, soms uitmondend in xenofobie, in verminderde openheid voor kritiek, in grotere waardering voor autoritair leiderschap.

Kunst en cultuur – vernieuwing en continuïteit
In die verdeelde samenleving lijken kunst en cultuur er niet toe te doen, een vlucht uit de werkelijkheid te zijn hooguit. Dat is een misverstand. Cultuur is alles wat onze samenleving samenhang geeft, kunst is de reflectie daarop. Kunst en cultuur gaan dus over vernieuwing en continuïteit, en zijn in een samenleving die worstelt met zijn identiteit actueler dan ooit.
Iedereen beseft dat een leefbare samenleving samenhang nodig heeft. De zich alom manifesterende aandacht voor identiteit en authenticiteit kan dan ook worden begrepen als een reactie op wat wordt ervaren als maatschappelijke fragmentatie, op wat de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen ‘de balkanisering van de publieke ruimte’ noemde, waarin alleen nog met geestverwanten wordt gecommuniceerd, en het gezag van traditionele autoriteiten, instituties en kennisspecialisten wordt ondergraven.(7) Met dat zoeken naar het eigene is niets mis, zolang we ons maar realiseren dat identiteit veranderlijk is. Wat we zoeken zijn nieuwe verbindingen, verbindingen tussen en met nieuwe groepen in de samenleving, verbindingen tussen gisteren en vandaag. Kunstenaars spelen vanouds een rol in dit soort zoektochten: ze geven uitdrukking aan de waarden en normen van een gemeenschap en verkennen tegelijkertijd de grenzen ervan. Zoals Ramsey Nasr, acteur, dichter, lid van de Akademie van Kunsten schreef: ‘Ze werpen vragen op in plaats van antwoorden te geven […]. Ze kietelen onze nieuwsgierigheid naar onbekend terrein, naar wat achter de horizon ligt en ze bevrijden ons zo van de kokerwereld van ons hic et nunc zonder te hoeven vervallen in de verlokkingen van een hiernamaals.’(8)
Wie in het kunstenveld om zich heen kijkt ziet het overal gebeuren. De Bossche stadskunstenaar Lucas De Man ging op reis langs zeventien Europese steden om in gesprekken met creatieve denkers en makers de veranderingen in ons deel van de wereld te begrijpen, zicht te krijgen op de richting waarin ons werelddeel zich beweegt. In zijn voorstelling The Common People brengt choreograaf Jan Martens telkens 48 onbekenden samen. Het levert 24 duetten op tussen mensen die elkaar nooit eerder ontmoet hebben, tezamen, aldus Francine van der Wiel in NRC Handelsblad, ‘een pleidooi […] voor respectvol omgaan met elkaar, aandacht, waarachtigheid en eenvoud.’(9) In FoodLabPeel werken vijf kunstenaars succesvol samen met vijf boeren in een veranderingsproces dat moet bijdragen aan een ontwikkeling van landbouw en veeteelt in balans met de omgeving. Bas Heijne zei het op 1 september in zijn toespraak bij de opening van het Nederlands Theater Festival: ‘Het theater is wakker geschud omdat men zelf hard geconfronteerd werd met een wereld waarin allerlei krachten zijn losgewoeld die schreeuwen om duiding, om inzicht, om bewustwording. Die schreeuwen om – ja – theater.’(10) En wat Heijne zegt over de theaterwereld kan over de hele kunstsector worden gezegd. Kunstenaars zoeken aansluiting bij krachten die bouwen aan een zich vernieuwende samenleving: de Slow Movement, die zoekt naar authenticiteit, tracht het tempo waarin we leven te vertragen en ons zo weer meester te maken van ons bestaan, het Social Label, dat aandacht vraagt voor de omstandigheden waaronder producten worden gemaakt, de hipster-generatie met zijn Makers Revolution van zelf bier brouwen en zelf brood bakken, urban farming, jonge stedelingen die op verlaten rangeerterreinen en in oude fabriekspanden preiplantjes en tomaten kweken. En soms lijkt die maatschappelijke onderstroom de hoofdstroom te bereiken. Wanneer consumenten zich in groten getale afwenden van ING, ABN Amro en Rabobank en zich melden bij Triodos en ASN. Wanneer ondernemers zich niet meer herkennen in VNO-NCW en zich verenigen in een alternatieve werkgeversorganisatie, De Groene Zaak. Wanneer Albert Heijn moestuintjes gaat uitdelen.
Cultuurbeleid moet aansluiten bij die beweging. Dat is niet eenvoudig. Cultuurbeleid was tot in de jaren negentig van de vorige eeuw gebaseerd op de verheffingsgedachte, de veronderstelling dat de culturele canon met zijn referentiekader voor smaak en kwaliteit ook aan de lager opgeleiden een verhaal had te bieden. Dat verhaal is voor grote groepen in de samenleving steeds minder herkenbaar. Een onderzoek door Motivaction uit 2010, in opdracht van de Stichting Cultuur-Ondernemen, naar de betekenis van kunst en cultuur in het dagelijks leven liet zien dat het draagvlak voor kunst en cultuur bij Nederlanders niet groot is en dat dat samenhangt met een heel smalle definitie van kunst en cultuur. Een museum bezoeken? Ja, dat is kunst en cultuur zegt 83%. Naar de opera gaan? Kunst en cultuur volgens 68%. Maar bij het luisteren naar klassieke muziek twijfelen we al: nog maar 51% vindt dat behoren tot de wereld van kunst en cultuur. Het lezen van een boek, het luisteren naar popmuziek, bioscoopbezoek: nog maar 29, 27 en 26% beschouwt het als kunst en cultuur. Tegelijkertijd liet het Motivaction-onderzoek zien dat het draagvlak voor kunst en cultuur snel groeit wanneer kunst en cultuur ruimer worden gedefinieerd. Wanneer we duidelijk maken dat ook zang en rap, woonwijkversiering, straattheater, het bezoeken van een popconcert en strips kunst en cultuur zijn, realiseren Nederlanders zich ineens dat kunst en cultuur een belangrijk onderdeel is van hun leven – een onderdeel van hun identiteit, een uiting van wie of wat ze zijn.(11) Het is een ontwikkeling die door de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco in De barbaren, een essay dat hij in afleveringen publiceerde in La Repubblica, wordt geschetst als een conflict tussen hoge en lage cultuur.(12) Auke van der Woud, emeritus hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, plaatst die ontwikkeling in zijn laatste boek, De nieuwe mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900 in historische perspectief als de botsing tussen de traditionele, elitaire en ideële hoge cultuur en de platte, brede en materialistische massacultuur.(13) Het is een proces dat ook beschreven kan worden in termen van democratisering: kunst die ooit ten dienste stond van God en geloof, later van vorst en natie moet nu welvaart en welzijn bevorderen. Het is een proces waarin het draagvlak voor kunst en cultuur wordt aangetast wanneer de traditionele culturele sector er niet in slaagt zich te associëren met nieuwe en populaire vormen van kunst en cultuur, wanneer kunst en cultuur zich niet weten te verbinden met andere maatschappelijke domeinen.
Wil dat zeggen dat de kunstenaar geëngageerd moet zijn, dat er geen ruimte meer is voor autonomie? Ilja Leonard Pfeiffer vond het, toen hij op 21 april 2016 in Tilburg de E. du Perronprijs in ontvangst nam, een verkeerde vraag: ‘Het gaat er niet om of je als schrijver je voordeel kunt doen met betrokkenheid bij de maatschappij, maar dat de maatschappij haar voordeel kan doen met de betrokkenheid van schrijvers. […] Waar het om gaat, is dat de maatschappij zichzelf te kort doet als zij de stemmen van haar schrijvers negeert. De schrijvers kunnen best zonder het maatschappelijk debat, maar het maatschappelijk debat kan niet zonder de schrijvers. Het zou zowel de maatschappij als de schrijvers sieren als ze zich daar nog meer van bewust zouden zijn.’(14) Kunst is in zekere zin ‘de autonomie voorbij’.(15) Zeker in Brabant. Wie naar de praktijk van Brabantse kunstenaars kijkt constateert dat die meer dan elders in Nederland een hybride karakter heeft.(16) En parallel: bij de grotere Brabantse culturele instellingen zijn ‘nevenactiviteiten’ inmiddels belangrijker dan de oorspronkelijke hoofdactiviteit.(17) Dat komt, ongetwijfeld, in belangrijke mate voort uit noodzaak, maar het maakt ook iets zichtbaar van de maatschappelijke context waarin kunstenaars actief participeren.
Natuurlijk, de meeste kunstenaars worden niet gedreven door de sociale of economische betekenis van hun kunst. Ze maken hun kunst vanuit ‘het artistieke perspectief’ dat ‘de nadruk [legt] op het belang van esthetische waarden als schoonheid en inspiratie en op het vermogen van cultuur levens van individuen te transformeren.’(18) Maar het wil niet zeggen dat die kunst geen sociale of economische betekenis heeft. Soms is die betekenis kwantificeerbaar. Een onderzoek door het Britse Nesta naar de werkgelegenheid in de creatieve sector in zeven lidstaten van de Europese Unie (waaronder Nederland) laat zien dat de creatieve industrie de enige bedrijfstak is waar gedurende de achterliggende economische crisis de werkgelegenheid bleef groeien. De studie laat bovendien een verband zien tussen economische veerkracht en het aantal creatieven dat werkzaam is in sectoren die niet gerekend worden tot de creatieve industrie.(19) Maar ook waar die betekenis niet altijd eenvoudig en eenduidig kwantificeerbaar is, is ze er, onmiskenbaar. Kunst maakt ons blij. Of boos. Ze troost, vermaakt of inspireert ons. Ze stelt vragen en ontregelt. Dat draagt bij aan onze identiteit: vormt, bevestigt of verandert die. Dat maakt ons weerbaar en veerkrachtig. Zoals Hans Mommaas, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, in zijn Boekmanlezing zei: kunst en cultuur zijn de voedingsbodem voor nieuwsgierigheid en verbeelding en verbeelding geeft betekenis aan de werkelijkheid en werkt zo verbindend.(20) Het zijn vaak onbedoelde effecten, het is het nut van het nutteloze.
Net als alle overheidsbeleid is ook cultuurbeleid in ons democratisch bestel uiteindelijk alleen maar gelegitimeerd wanneer het welzijn en welvaart voor de burger optimaliseert. Onderwijs, veiligheid, economie – ze genereren betekenis voor welzijn en welvaart. Dat geldt ook voor cultuur. Op het individuele niveau gaat het dan om bijvoorbeeld expressie, contact, inspiratie, maar ook om inkomen en status. Op collectief niveau om onder meer leefbaarheid, positionering, community building, innovatie, imago, stedelijke ontwikkeling.(21) Maar ook om veiligheid en sociale veerkracht. Niet voor niets positioneert Federica Mogherini, de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, cultuur in het hart van haar beleid: ‘We will nurture social resilience […] by deepening work on education, culture and youth to foster pluralism, coexistence and respect.’(22) Cultuurbeleid moet dan ook gebaseerd zijn op het totaal aan betekenissen, niet slechts op een aantal. Het nodigt uit tot een beleid dat de culturele sector faciliteert om de kwaliteit, de diversiteit en de reikwijdte van haar aanbod te waarborgen en te vergroten. Om de sector intern te versterken: bewust te maken van haar maatschappelijke betekenis en daar professioneel naar te laten handelen. Om haar extern te verbinden met domeinen waarvoor zij relevant kan zijn.

Brabant
In Brabant zijn ‘versterken’ en ‘verbinden’ al lange tijd trefwoorden van het cultuurbeleid. In de Agenda van Brabant uit 2010 en de Cultuuragenda van Brabant voor 2020 uit 2013 wordt cultuur gedefinieerd als een van de provinciale kerntaken, naast ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, bereikbaarheid van de regio en regionaal economisch beleid, vanuit de focus op het vestigings- en leefklimaat. De Provincie realiseert zich dat de culturele kwaliteit van de leefomgeving een doorslaggevende factor is om burgers en bedrijven te boeien en talenten te binden.(23) Dat wordt bevestigd in Beweging in Brabant, het nieuwe bestuursakkoord, dat rept van ‘allerlei positieve maatschappelijke en economische effecten’ van de ‘ruime voorraad sociaal en cultureel kapitaal’. Van ‘sport- en cultuurvoorzieningen die bijdragen aan het internationale profiel van onze regio, beter onderwijs, goede gezondheid en een actieve deelname van Brabanders aan de samenleving’, die ‘in belangrijke mate de identiteit en eigenheid van Brabant [bepalen], ook in internationaal perspectief’.(24)
Het cultuurbeleid zoals het vanuit deze motivering wordt gevoerd is er, met name sinds de laatste beleidsperiode, nadrukkelijk op gericht het Brabantse cultuursysteem te versterken en te innoveren, het door gerichte investeringen te stimuleren tot een vernieuwde en vernieuwende positionering in het maatschappelijk krachtenveld. Met name via het in 2013 gelanceerde Impulsgeldenprogramma en het in 2015, na de mislukte kandidatuur van Eindhoven als culturele hoofdstad van Europa 2018, ingestelde cultuurfonds Brabant C wil de provincie de culturele sector in Brabant faciliteren om kwaliteit, diversiteit en reikwijdte van haar aanbod te vergroten. Niet voor niets constateerde Robbert van Heuven in De Provinciale Staat van Cultuurbeleid, door Kunsten ’92 gepubliceerd aan de vooravond van de laatste Provinciale Statenverkiezingen, dat Brabant zich in Nederland onderscheidt als een ‘inhoudelijk regisserende provincie’.(25)
Er valt in Brabant ook een hoop te winnen. Al in 2012 constateerden wij dat waar cultuur in de Agenda van Brabant nadrukkelijk wordt betrokken op ruimte en economie, in de praktijk cultuur op zowel provinciaal als gemeentelijk niveau als een geïsoleerd domein functioneert. De infrastructurele betekenis van kunst en cultuur wordt wel beleden, maar niet beleefd.(26) Waar beleidsmakers de culturele sector uitdagen zich te verbinden met andere domeinen, is er geen sprake van wederkerigheid: ruimte en economie hebben niet de beleidsmatige opdracht zich te verbinden met het culturele domein. Cultuur lijkt zo soms te worden gereduceerd tot niet meer dan een evenementenmachine. Opvallend is in dit verband dat waar internationale studies wijzen op de grote en groeiende betekenis van de creatieve sector en op Europees en nationaal niveau de creatieve industrie de status van ‘topsector’ geniet, in het Brabantse economische beleid de creatieve sector geen wezenlijke rol speelt. In lijn daarmee zagen we in de achterliggende periode dat de provincie niet in staat was het Brabantse lidmaatschap van het internationale DC Network zo te beleggen dat er experimentele ruimte ontstond voor een nieuw soort innovatiebeleid, niet uitsluitend georiënteerd op van te voren gedefinieerde topsectoren waar innovatie geacht wordt op te treden, maar opgave-gestuurd via een programma dat andere sectoren dan de creatieve industrie stimuleert om creatieven in te schakelen en zo de vitaliteit van het economische en culturele systeem te versterken.(27) Het is onwaarschijnlijk dat het provinciaal beleid er op deze wijze in slaagt de mogelijkheden van het Brabantse economische systeem optimaal te benutten.
Drie van de tien grootste Nederlandse steden liggen in Brabant. Brabant is na de Randstad de belangrijkste economische regio van ons land. Studies van het Planbureau voor de Leefomgeving en, heel recent, van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur laten telkens weer het belang van de regio Eindhoven voor de nationale economie zien.(28) Brainport levert meer toegevoegde waarde dan Schiphol of de Rotterdamse haven. Het is de vraag of de ontwikkeling van Brabantse culturele infrastructuur gelijke tred houdt met die economische ontwikkeling. De benchmark die bkkc, Kunstbalie, Erfgoed Brabant en De Kunst van Brabant in mei 2015 publiceerden beantwoordt die vraag ontkennend: ‘In cultureel opzicht bezet Noord-Brabant [in de rangorde van provincies] niet de derde, maar de zevende plaats.’(29) De vraag kan worden gesteld of hier niet ook een verklaring ligt voor de permanente brain drain waaraan de Brabantse arbeidsmarkt, zeker voor hoger opgeleiden, bloot staat en die het voor de slimste regio ter wereld tot meer dan een uitdaging maakt om de slimste mensen ter wereld te verleiden zich hier te vestigen.
Het onderzoeksrapport Culturele smaak van Brabanders. Een onderzoek naar de verschillende cultuurconsumenten in Noord-Brabant van het PON uit 2013 laat zien dat Brabant qua culturele smaak heel erg op de rest van Nederland lijkt. De meeste Brabanders zijn mensen van wat wordt aangeduid als het type ‘Lokale gezelligheid’. Het verrast niet, het beantwoordt ook erg aan het Brabantse zelfbeeld. Verrassender is dat die groep in Brabant kleiner is dan landelijk gemiddeld: in Brabant valt 25% van de huishoudens binnen deze groep, landelijk 27%. Ondervertegenwoordigd zijn in Brabant de ‘Jonge cultuurontdekkers’: 8% van de huishoudens tegenover landelijk 11%. Het heeft ongetwijfeld te maken met het ontbreken in Brabant van een grote universiteit. Spectaculair is het verschil in ‘Welvarende cultuursnuivers’. Je zou misschien verwachten dat die groep in Brabant kleiner is dan landelijk gemiddeld. Het tegendeel blijkt waar: hij is in Brabant anderhalf keer zo groot als in de rest van Nederland, 12% tegen landelijk 8%. Ze wonen vooral in Zuidoost- en Noordoost-Brabant (Vught, Nuenen, Waalre, Haaren, Oisterwijk), maar ook in West-Brabant is de groep groter dan landelijk gemiddeld. Ze blijven graag goed op de hoogte: van het nieuws, van sport en van financiën, ze lezen Het Financieele Dagblad, De Volkskrant of NRC Handelsblad. Ze kijken niet zoveel televisie, en als ze kijken, dan vooral naar de publieke omroep. Ze internetten veel. En ze gaan graag uit eten. Die Welvarende cultuursnuivers komen in Brabant cultureel niet aan hun trekken. Het PON constateert: ‘Ze bezoeken ook vaak voorstellingen buiten Brabant omdat ze het aanbod in de regio onvoldoende vinden.’(30) Dat is alleen al vanuit het oogpunt van vestigingsbeleid een omineuze conclusie. Blijkbaar is de culturele infrastructuur in de Provincie ontoereikend om deze economisch relevante groep cultureel aan de provincie te binden. Dat zal met de aard van het aanbod te maken hebben. Het heeft ongetwijfeld ook te maken met de kwaliteit van het aanbod. In 2012 stelden wij in onze infrastructurele verkenning van het Brabantse culturele leven vast dat veel daarvan kleinschalig is en de uitstraling ervan buiten de provinciegrenzen bescheiden. ‘De Brabantse cultuur is een verborgen, en misschien moeten we zeggen: een verborgen gehouden, schat.’(31) De Provinciale Adviescommissie Kunsten voegde daar toen aan toe ‘dat het culturele veld in Noord-Brabant weinig relaties onderhoudt met de Randstad. De Randstad heeft nauwelijks oog en oor voor de kwaliteit die in Brabant wordt ontwikkeld; er vloeien verhoudingsgewijs weinig rijksgelden naar deze regio. De regio richt haar vizier op haar beurt maar moeizaam richting de Randstad. Deze twee fenomenen versterken elkaar.’(32)
Maar in Brabant is de bereidheid om de hand in eigen boezem te steken niet groot. Liever wijt men het tekort schietende aanbod aan de geringe rijksbijdrage aan de Brabantse culturele infrastructuur. Dat verwijt aan Den Haag is terecht: niet meer dan 2 à 3% van de rijksmiddelen voor cultuur landde in de achterliggende periode in Brabant. Peter Wennink, ceo van ASML, sprak er in Het Financieele Dagblad schande van.(33) Bart Brouwers, hoogleraar journalistiek in Groningen, kwalificeerde in het Brabants Dagblad de Haagse verwaarlozing van Brainport als ‘een keuze die het verleden boven de toekomst plaatst’.(34) In Beweging in Brabant kondigt de in 2015 aangetreden coalitie dan ook aan zich ‘in nauwe samenspraak met de Brabantse cultuursector en Brabantse steden’ sterk te willen maken ‘voor een stevige (lobby)agenda richting het Rijk om meer financiële middelen uit de landelijke basisinfrastructuur en cultuurfondsen los te krijgen.’(35) Zo’n lobby richting Den Haag roept wel vragen op. Het Rijk is, landelijk, niet de belangrijkste financier van de culturele infrastructuur. Dat zijn de gemeenten. En op gemeentelijk niveau schiet het cultuurbeleid in Brabant tekort. Landelijk geven gemeenten gemiddeld €96,13 per inwoner uit aan cultuur en recreatie. De Brabantse gemeenten zitten daar met €79,72 per inwoner ruim 17% onder. De gemeenten in Noord- en Zuid-Holland, de provincies waar ook het meest rijksgeld landt, doen het met respectievelijk €127 en €112 per inwoner een stuk beter.(36) Het zijn verschillen die maar zeer ten dele verklaard kunnen worden uit de grotere bijdragen die de G4 (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht) ontvangen uit het Gemeentefonds. Een Brabantse lobby bij het rijk bergt dan ook het risico in zich om als een boemerang terug te komen.(37) Rijksmiddelen zijn er niet om het tekortschieten van lokale overheden te compenseren. Dat lokale tekortschieten is een belangrijke oorzaak van de fragiliteit van het Brabantse cultuursysteem, zoals die zichtbaar wordt in de laatste Monitor professionele kunsten: de verdringing van vast personeel door tijdelijke krachten en vrijwilligers, de zeer geringe uitgaven aan scholing en professionalisering, de tekort schietende marketinginspanningen.(38) Die fragiliteit bergt het risico in zich dat het relatieve succes dat is geboekt bij de verdeling van de rijksmiddelen voor de periode 2017-2020, straks eenmalig blijkt te zijn.
Tegelijkertijd dienen zich kansen aan die gegrepen moeten worden. Op landelijk niveau staat de inrichting van het cultuurbeleid ter discussie. De verwachting is dat de verdeling van middelen voor de volgende cultuurplanperiode op een nieuwe leest zal worden geschoeid, dat ook bij de verdeling van cultuurgelden gekozen zal worden voor een vorm van decentralisering. Regionale profilering vormt daarbij de sleutel.
In BrabantStad beschikt de provincie Noord-Brabant over een bestuurlijk samenwerkingsverband tussen de Provincie en de vijf grote Brabantse steden dat in staat moet worden geacht op een zodanige wijze vorm en inhoud te geven aan een regionaal onderscheidend Brabants profiel dat de regio in toekomstig landelijk beleid een aanzienlijk prominentere positie gaat innemen. Met het door provincie en B5 onlangs aan minister Bussemaker aangeboden bidbook Brabantstad Nationale Culturele Proeftuin is met de formulering van zo’n gezamenlijk profiel een begin gemaakt.(39) Relevant is nu dat de samenwerkende partijen de massa die zij gezamenlijk vormen optimaal weten te benutten door cultuurbeleid in zorgvuldige afstemming met elkaar te voeren, dat bestuurders cultuur en culturele voorzieningen zien als dienstbaar aan de hele regio en niet alleen aan de eigen stad en dat de infrastructuur in de provincie zo wordt ingericht dat voor inwoners de afstanden tot het aanbod aanzienlijk kleiner worden dan ze nu zijn of worden ervaren. Dat vraagt om fysieke aanpassingen van die infrastructuur: openbaar vervoer en wegennet in de provincie schieten op tal van punten ernstig tekort. Dat vraagt ook om mentale aanpassingen: de primaire gerichtheid op de lokale gemeenschap, zoals die ook tot uitdrukking komt in het vrijwel ontbreken van Brabantbrede communicatieplatforms, moet plaats maken voor of worden aangevuld met een algemeen Brabantse oriëntatie.

1 de Volkskrant 21 mei 2016.
2 Mark Bovens en Anchrit Wille, Diplomademocratie. Over de spanning tussen meritocratie en democratie, Amsterdam 2010.
3 DNBulletin 28 april 2016.
4 Richard Dobbs e.a., Poorer than their Parents? Flat or Falling Incomes in Advanced Societies, Brussel / San Francisco / Sjanghai 2016. Zie voor de Nederlandse situatie ook rapporten van Sociaal Cultureel Planbureau en Centraal Planbureau resp. de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid: Marloes de Graaf-Zijl e.a., De onderkant van de arbeidsmarkt in 2025, Den Haag 2015; Monique Kremer e.a. (red.), Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en gevolgen van economische ongelijkheid, Amsterdam 2014.
5 Joseph E. Stiglitz, The Price of Inequality. How Today’s Divided Society Endangers our Future, New York en Londen 2012; Thomas Piketty, Le capital au XXIe siècle, Parijs 2013; Robert D. Putnam, Our Kids. The American Dream in Crisis, New York 2015; Robert J. Gordon, The Rise and Fall of American Growth. The U.S. Standard of Living since the Civil War, Princeton / Oxford 2016.
6 Bram Mellink, Worden zoals wij. Onderwijs en de geïndividualiseerde samenleving sinds 1945, Amsterdam 2014.
7 Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Cultuur en identiteit. De veranderende plek van Nederland in de wereld, Amsterdam 2011.
8 De Standaard 9 mei 2015.
9 NRC Handelsblad 31 mei 2016.
10 Bas Heijne, De Staat van het Theater 2016, http://tf.nl/de-staat-van-het-theater-2016/.
11 Ester Tepaske e.a., Betekenis van kunst en cultuur in het dagelijks leven, Amsterdam 2010.
12 Alessandro Baricco, I Barbari, Milaan 2006 (Ned. Vertaling: De Barbaren, Amsterdam 2010).
13 Auke van der Woud, De nieuwe mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900, Amsterdam 2015.
14 NRC Handelsblad 25 april 2016.
15 ‘Voorbij autonomie’, een onderzoek door Micha Hamel en Sander van Maas, onder auspiciën van de Akademie van Kunsten, http://www.akademievankunsten.nl/nl/projecten/voorbij-autonomie.
16 Henk Vinken, Cultuur in Brabant. Een benchmark, Tilburg 2015.
17 Henk Vinken e.a., Culturele Atlas Brabant. Monitor professionele kunsten 2016, Tilburg 2016.
18 Erik Schrijvers e.a., Cultuur herwaarderen, Den Haag 2015.
19 Max Nathan e.a., Creative Economy Employment in the EU and the UK. A Comparative analysis, Londen 2015.
20 Hans Mommaas, De culturele dimensie in de stad van de toekomst, Boekmanlezing 30 juni 2016.
21 Zie de betekenissencirkel van Geert Boogaard, oprichter van cultureel adviesbureau Blueyard, in Geert Boogaard en Pierre Ballings, Stichting Cultuur Eindhoven. Organisatieplan, z.p. 2015, blz. 72.
22 Federica Mogherini, Shared Vision, Common Action: A Stronger Europe. A Global Strategy for the European Union’s Foreign and Security Policy, Brussel 2016.
23 Cultuuragenda van Brabant voor 2020, Den Bosch 2013.
24 Beweging in Brabant. Bestuursakkoord 2015-2019, Den Bosch 2015.
25 Robbert van Heuven, De Provinciale Staat van Cultuurbeleid, Amsterdam 2015.
26 bkkc, Cultuur in Brabant. Een infrastructurele verkenning, Tilburg 2012.
27 Zie ook Centraal Planbureau, Kansrijk innovatiebeleid, Den Haag 2016.
28 Planbureau voor de leefomgeving, De concurrentiepositie van Nederlandse regio’s. Regionaal-economische samenhang in Europa, Den Haag 2011; Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, Mainports voorbij, Den Haag 2016.
29 Henk Vinken, Cultuur in Brabant. Een benchmark, Tilburg 2015.
30 Marianne van Bommel en Karin du Long, Culturele smaak van Brabanders. Een onderzoek naar de verschillende cultuurconsumenten in Noord-Brabant, Tilburg 2013.
31 bkkc, Cultuur in Brabant. Een infrastructurele verkenning, Tilburg 2012.
32 Adviescommissie Kunsten Noord-Brabant, Het cultureel dna van een eigengereide, innovatieve provincie. Van functie tot festival, van knelpunt tot kans. Knelpunten, scenario’s en noodmaatregelen voor een duurzame toekomst van het professionele kunstenveld in de Provincie Noord-Brabant, Den Bosch 2012.
33 Het Financieele Dagblad 8 oktober 2016.
34 Brabants Dagblad 18 oktober 2016
35 Beweging in Brabant. Bestuursakkoord 2015-2019, Den Bosch 2015.
36 Henk Vinken, Cultuur in Brabant. Een benchmark, Tilburg 2015.
37 Zie bijvoorbeeld Daan van Lent, ‘Wie betaalt er nu te weinig? Het Rijk of de regio?’ NRC Handelsblad 21 september 2016.
38 Henk Vinken e.a., Culturele Atlas Brabant. Monitor professionele kunsten 2016, Tilburg 2016.
39 Jet Duenk, BrabantStad Nationale Culturele Proeftuin. Bidbook, z.p. 2016.

Inleiding van het Beleidsplan 2017-2020 van bkkc, brabants kenniscentrum kunst en cultuur